Boter bij de vis


Het is de soep die de soldaat maakt

Tijdens de Groote Oorlog trotseerden meer dan 70 miljoen soldaten angst, ziekte, maar ook honger en dorst. Door schaarste werden deze basisbehoeften niet altijd ingevuld en dit had een enorme invloed op de fysiek, maar vooral op de moraal van de troepen.

door Charlotte Hoschet (Brussels Museum van de Molen en de Voeding, Evere)

Het rantsoen van de soldaat

Na de Duitse inval heeft het een aantal maanden geduurd vooraleer de organisatie van de voedselbevoorrading op poten werd gezet. De soldaten moesten het - hoe dan ook - zien te redden met de beschikbare middelen en/of wat er onderweg te vinden was. Het is pas vanaf 1915 dat de dagelijkse voedselvoorziening werd vastgelegd. De voorgeschreven inhoud en de hoeveelheid van het rantsoen was afhankelijk van zowel de periode en de beschikbaarheid van de ingrediënten, als van de nationaliteit, de rang en de taken van de soldaat. Deze kon uit brood, aardappelen, vlees (meestal rundvlees in blik: corned beef, ook ‘koude aap’, ‘apenvlees’ of ‘plata’ genoemd) of vis, thee of koffie, suiker, zout, peper en zelfs alcohol en tabak bestaan. Daarnaast kregen ze soms ook kaas, spek, reuzel, jam (confituur), rijst, groenten of meel. Voor soldaten van koloniale afkomst werd getracht uitheemse waren te voorzien zoals vis- en sojasaus, palmolie en zelfs waterpijpen.
Soldaten kregen ook een reserve- of ‘ijzeren’ rantsoen, dat enkel in nood kon gebruikt worden. Dit rantsoen, the last hope (de laatste hoop) door de Britten genoemd, zorgde ervoor dat één man minstens één dag kon overleven. Deze bestond uit vlees uit blik, harde koeken (beschuiten), suiker, koffie, zout en alcohol. De inhoud kon ook verschillen naargelang het leger en het aanbod aan voedingswaren. Toch werd het assortiment steeds kleiner en eentoniger. Dit rantsoen mocht in theorie enkel op bevel genuttigd worden.

De voedselbevoorrading

Het was van levensbelang dat de toevoer van voeding naar het front goed werd georganiseerd. Etenswaren werden via trein naar laadstations of spoorweghoofden vervoerd. Volgeladen vrachtwagens vertrokken van hieruit naar centrale losplaatsen. Daarna brachten de bevoorradingsvoertuigen, getrokken door paarden, dagelijks de goederen naar kantonnementen, die zich ver achter het front bevonden. Hier werden de soldatenmaaltijden klaargemaakt in de talrijke veldkeukens. Van hieruit werd voeding met behulp van grote voedselhouders opgehaald voor de troepen aan het front door de etenhalers bijgenaamd cuistots, ravitailleurs, of hommes-soupe (koks, etenhalers of soepmannen). Deze soldaten stonden dagelijks in voor de voedselvoorziening van de troepen, wat een gevaarlijke en vermoeiende opdracht was die regelmatig niet tot een goed einde kon gebracht worden. Het transport was namelijk moeilijk, soms zelfs onmogelijk, omwille van diverse redenen: de weersomstandigheden, de vijandelijke aanvallen, de toestand van de wegen of desoriëntatie. Wanneer het voedsel, of een deel ervan, uiteindelijk bij de troepen aankwam, liet de kwaliteit meestal te wensen over.

VoedselhouderVoedselhouder © IFFM, 1914-1918


Bij gebrek aan voedsel werd er soms eten (eieren, melk, gewassen of groenten) of dieren uit nabijgelegen boerderijen gestolen. Het gebeurde echter ook dat soldaten de boeren hielpen bij het onderhoud van het veld, soms zelfs tegen een vergoeding. Stropen, vissen en het aanleggen van groentetuinen achter de loopgraven waren, naarmate de oorlog langer duurde, ook een manier om aan voedsel te komen.
De aanvoer van zuiver water aan het front was van vitaal belang. Daarom kon drinkwater geleverd worden aan de hand van lege petroleumblikken of emmers maar ook in glazen flessen. De Duitsers beschikten over fabrieken waar mineraalwater in groenkleurige flessen werd gevuld. In de loopgraven werden er ook watertanken geplaatst die de soldaten van hun dagelijkse behoefte aan water moest voorzien. Deze reservoirs werden echter vaak beschadigd waardoor er niet steeds voldoende water aanwezig was voor de troepen. Vele leden dus aan dorst en dronken hierdoor vervuild water, zogen het vocht uit hout of dronken zelfs hun eigen urine om te overleven. Tal van soldaten werden ziek door gebrek aan hygiëne.

Duitse soldaten groententuin
Duitse soldaten in een groentetuin © MBMA-BMMV, 1914-1915

Naarmate de oorlog vorderde, nam de voedselorganisatie toe. Honderden militaire voedseldepots, veldbakkerijen, landbouwgronden en varkenshouderijen werden opgericht om de troepen te bevoorraden. Om de stijgende vraag naar logistiek in de verdeling van voedsel, wapens en materiaal te beantwoorden, werden er arbeiders uit de kolonies aangeworven door de geallieerden. Ondanks al deze inspanningen vocht het overgrote deel van de soldaten te vaak met een lege maag voor hun vaderland.

Koken aan het front

Bij de aanvang van de oorlog werden de maaltijden van de soldaten in een veldkeuken ver achter het front voorbereid. Nadien werd het noodzakelijk om de afstand met de troepen te verkleinen en de locatie van de keukens vlot te kunnen verplaatsen ter bescherming tegen vijandelijke vuren. Mobiele veldkeukens vingen dit probleem gedeeltelijk op. Deze werden meestal voorzien van twee wagens waarvan op de achterste soms tot acht ketels konden geplaatst worden. De mobiele veldkeukens waren een Russische uitvinding en kregen verschillende bijnamen toegekend zoals locomotive à soupe (soeplocomotief) of ‘Goulash Kanon’ omdat de kachelpijp aan een kanon deed denken.
Na verloop van tijd werden er in de loopgraven min of meer permanente voorzieningen geïnstalleerd. Kachels en veldkokers (gas of kaars) werden gebruikt om te koken of om drank op te warmen, in het geval dat de etenhalers niet kwamen opdagen of het eten koud of zelfs bevroren toekwam. Bovendien kon dit ook dienen als licht- en warmtebron wat vooral in de winter erg van pas kon komen.

Mobiele veldkeuken
Duitse mobiele veldkeuken © MBMA-BMMV, 1914-1918

Veldkoks, die vaak geen keukenopleiding hadden gevolgd, moesten steeds origineler uit de hoek komen aangezien bepaalde levensmiddelen niet vaak beschikbaar waren. Verschillende handleidingen die advies bevatten over onder meer creatief en zuinig koken werden dan ook gepubliceerd. Zo werden gerechten bereid met planten die in de buurt te vinden waren en werd brood, net als in bezet gebied, gemaakt met vermalen knolgewassen of bonen. Een onmisbaar instrument in elke veldkeuken was de vleesmolen. Hiermee kon men eender welk aangeleverd ingrediënt omvormen tot een onherkenbaar gerecht. Het gebeurde wel vaker dat er levensmiddelen werden aangevoerd waar weinig mee aan te vangen viel.
Het dagelijks voorzien van eten aan de troepen, het onderhoud van de keuken en de vuren terwijl de vijand loert, was geen sinecure. Toch was de functie van frontkok of cuistots een gewilde positie in het leger aangezien ze geen loopgraven moesten bouwen of herstellen en niet deelnamen aan man tegen man gevechten.

Achter het front

Om de 3 à 4 dagen wisselden de soldaten elkaar af tussen de frontlinies en het kantonnement, op ongeveer 10 kilometer achter de frontlijn. Hier konden ze even rusten en ontspannen, ver van de gevechten. Achter het front ontwikkelde zich - als het ware - een ‘campingcultuur’. In deze zone bezochten de soldaten ook cafés en allerlei winkels die door de burgers werden uitgebaat. Er ontstond zelfs een ‘frietboulevard’ in De Panne. Ook werden er kantines opgetrokken met de hulp van initiatieven zoals de Gifts for Belgian Soldiers (Hulp aan Belgische soldaten). Hier konden ze zich ontspannen en extra goederen aankopen zoals rookwaren, alcohol, boter, snoepgoed en zelfs warme chocolade.

Allerlei onbruikbare of beschadigde voorwerpen, zoals ontmantelde granaten, eetketels en drinkbussen werden gerecupereerd. Tegen de verveling creëerden de soldaten hiermee nieuwe voorwerpen, zoals keukengerei en zelfs ware kunstwerken. Deze voorwerpen werden naar hun naaste familieleden of naar hun oorlogsmeters (marraines de guerre) opgestuurd. Soms werden deze stukken verkocht om hun magere soldij aan te vullen.

Keukengong
Keukengong vervaardigd uit hulzen van artilleriegranaten. © IFFM, na 1914
Tafelgongs dienden om de etenstijd aan te kondigen en werden reeds vanaf het Victoriaanse tijdperk gebruikt. Soldaten hadden ook de gewoonte om artilleriehulzen in de loopgraven op te hangen om alarm te kunnen slaan. De creatie van deze gong zou een combinatie zijn van beide gebruiken. De bewerkte artilleriegranaten werden waarschijnlijk na de oorlog gemonteerd

Alcohol en tabak maakten deel uit van het dagelijkse leven van de soldaat, zowel in de loopgraven als achter het front. Alcohol werd overdadig gebruikt tijdens de rustperiode maar aan het front werden er daarentegen wel specifieke regels opgelegd. In het rantsoen werd bij de aanvang van de oorlog meestal geen alcoholische dranken voorzien. Slechts in uitzonderlijke gevallen of als onderdeel van het reserverantsoen werden wel alcoholische dranken uitgedeeld. Deze maatregel werd snel aangepast.
Pas de tabac, pas de soldat (geen tabak, geen soldaten) is een Franse uitdrukking die het belang van tabak voor de soldaten duidelijk weergeeft. Tabak maakte dan ook deel uit van het dagelijkse rantsoen en werd in het begin van de oorlog vooral met de pijp gerookt maar ook soms gekauwd. Daarna maakte de sigaret snel haar opmars bij de troepen. Roken was goed voor de moraal maar stilde vooral de honger.

Contact met het thuisfront was een lichtpunt in het soldatenbestaan. Militaire censuur beperkte de inhoud van deze briefwisseling echter tot de alledaagse onderwerpen, zoals het weer of de voedingssituatie. Een deel van de post werd clandestien vervoerd via Engeland en Nederland, aangezien België grotendeels bezet gebied was. Soldaten kregen daarnaast ook pakketten opgestuurd door familie of door hulporganisaties, zoals les marraines de guerre (oorlogsmeters). Deze pakjes bevatten vaak allerlei etenswaren gaande van boterhammen tot zelfs oesters en pepermunt.
Tijdens de feestdagen werden er een overvloed aan pakjes verstuurd naar het front, zeker voor de eerste kerstperiode van de oorlog. Als regel aan het front gold dat als de ontvanger niet aanwezig of overleden was, het pakje geopend mocht worden om eventuele voedselverderf tegen te gaan. De gigantische hoeveelheid pakjes die vervoerd moesten worden, veroorzaakten zelfs vertragingen van de doorvoer van levensmiddelen en goederen naar het front.

Ter gelegenheid van de feestdagen bereidden de koks feestelijke menu’s met de beschikbare voedingsmiddelen. Zo werd er onder meer peperkoek, chocolademelk, kalkoen en Christmas pudding (Engelse pudding) in de gamellen geserveerd. Dit was mogelijk dankzij de hulp van talrijke initiatieven die geld en goederen inzamelden voor de soldaten. De bevolking werd via affiches, tijdschriften en kranten aangespoord om te helpen. Zo richtte ook de Britse Koninklijke familie in aanloop naar de feestdagen van 1914 een fonds, Sailors and Soldiers Christmas Fund, op om een nationaal geschenk te bekostigen voor de troepen. Dankzij dit succesvolle initiatief was het mogelijk om 335.000 messing doosjes met tabak, een aansteker en sigaretten op te sturen. De niet-rokers hadden recht op snoepgoed en de Indische troepen kregen bijvoorbeeld kruidige lekkernijen. Ook werden er vanuit de kolonies tal van producten aan de oorlogvoerende landen zoals rum en rietsuiker geleverd.

Soldaten pannekoeken bakkenDuitse soldaten die pannenkoeken bakken © MBMA-BMMV, 1914-1916

Kerst 1914 was een opmerkelijke periode in de Westerse oorlogsgeschiedenis. Soldaten van verschillende nationaliteiten getuigden van een spontane wapenstilstand, het kerstbestand van 1914 genoemd: vijanden schudden elkaar de hand, zongen kerstliedjes en wisselden levensmiddelen uit zoals wijn, jam (confituur), worsten en corned beef. Rookwaren, alcohol en postkaarten maakten ook deel uit van de gegeerde goederen.

Humoristische menukaart feest
Humoristische spijskaart ter gelegenheid van een feestmaal © IFFM, 1916

De voorziene rantsoenen voor de krijgsgevangenen waren ook verre van voldoende als gevolg van de handelsblokkade van de geallieerde grootmachten, in die mate dat hun bevoorrading grotendeels berustte op pakketjes die toegestuurd werden door hun families en verscheidene liefdadigheidswerken. Vanuit het bezette België werden zo een paar miljoenen pakjes verzonden naar de Duitse kampen en Nederlandse interneringskampen. Deze pakketjes vormden, ondanks enkele inbeslagnames, vernietigingen of vertragingen bij de afgifte, een enorme steun voor de soldaten.

Conclusie

De organisatie van de voedselbevoorrading nam toe naarmate de oorlog langer duurde. Deze was van essentieel belang voor de overleving van de troepen en daarbij ook voor het voorkomen van opstanden. Bovendien maakten goed gevoedde soldaten meer kans op een overwinning. Uit onderzoek is gebleken dat er in theorie voor de Amerikaanse soldaten de meeste calorieën werden voorzien en voor de Duitsers de minste. Toch bleven angst, verdriet en honger vier jaar lang dagelijkse kost voor alle soldaten tijdens de Groote Oorlog. De vele brieven, dagboeken, verslagen en opgravingen getuigen van de dagelijkse strijd die er werd gevoerd om te overleven aan het front. Deze bronnen vormen daarenboven hoogstwaarschijnlijk slechts een kleine inkijk in wat er zich werkelijk moet afgespeeld hebben. Talrijke lessen werden dan ook uit deze beproeving getrokken en werden daarna ook zo goed mogelijk toegepast. Maar het ene conflict is het andere niet: de geschiedenis herhaalt zichzelf nog steeds maar telkens in een andere context.

Bibliografie

  • Almanach Hachette, Encyclopédie de la guerre, Ire partie, Paris 1917.
  • BLOM R., Honger. Een geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog, Tielt 2008.
  • CHRISTENS R. & DE CLERCQ K., Frontleven 14/18, Het dagelijkse leven van de Belgische soldaat aan de IJzer, Tielt 2008.
  • DUPUICH J.-J., Abécédaire de l’alimentation du soldat en 14-18. Du singe et du pain KK, Louviers 2012.
  • Eenen commandant eener eenheid, Handboek van den kok te velde, Nancy 1916.
  • HAMILTON A. & REED A., We good… We no shoot. The Christmas truce at Plugstreet Wood in 1914, Warwick 2014.
  • Manuel à l’usage des officiers de campagne d’infanterie, GQC 1917.
  • Musée de Folklore Mouscron, Halte interdit ! Catalogue d’exposition, Mouscron 2014.
  • NATH G., Voedselschaarste en voedselbedeling, tactieken en strategieën. Twee episodes uit de Belgische bezetting tijdens de Eerste Wereldoorlog, Gent 2011 (Universiteit Gent, Thesis Master in de geschiedenis, onuitgegeven).
  • SERVENTI S., La cuisine des tranchées. L’alimentation en France pendant la Grande Guerre, Bordeaux 2014.