Boter bij de vis


WOI op ’t erf: Hoeve Serelly’s tijdens de Eerste Wereldoorlog

Tijdens de Eerste Wereldoorlog lag Aarsele en de huidige hoeve bij Serelly’s Ijssalon exact vier lange jaren in bezet Duits gebied. Daarenboven was in de naburige stad Tielt de generale staf van het Vierde Duitse Leger gehuisvest. Daar gonsde het van bedrijvigheid om de Duitse oorlogsactiviteiten aan het Belgische front te dirigeren. De landbouwbedrijven in de omgeving van Tielt kregen het zo soms zwaar te verduren. De hoeve is reeds vier generaties in familiebezit langs moederszijde van huidig eigenaar Daniel Peck.

Door Berenice Vanrenterghem (heemkundige kring De Roede van Tielt) met aanvullingen van Brecht Demasure (CAG)

1. De oorlog nadert

De huidige hoeve Serelly’s werd in de periode voor de Eerste Wereldoorlog gerund door August Delmotte en zijn jongere broer Alouis. Voor de oorlog waren hun ouders Camille en Clémence Dupuits gestorven, zodat ze als vrijgezellen – hun enige zus was al getrouwd – samen met hun nicht Cyrilla Delmotte als huishoudster, de boerderij verder zetten. Pas als de oorlog voorbij was, zal August op 41-jarige leeftijd huwen met Maria Vandevelde. Zoals zoveel hoeves in de regio was de boerderij Delmotte een gemengd bedrijf.

De oorlog kondigde zich vanaf augustus 1914 aan met een stroom van 237 vluchtelingen vanuit Dendermonde, Lier, Mechelen en Aalst. Burgemeester Stanislas Reynaert van Aarsele deed een beroep op alle lokale landbouwers voor het verschaffen van onderdak. Alle boeren werden, volgens hun vermogen, gevraagd om aardappelen, graan, vlees en boter te leveren.

Vanaf oktober 1914 zal de familie Delmotte op de boerderij ongetwijfeld bevoorrechte getuige zijn geweest van de groeiende trafiek op de spoorlijn die rakelings aan de hoeve grensde. Zo verliep soldatenvervoer van en naar het front, goederenbevoorrading en de afvoer van gekwetsten via de spoorweg. Ook postwagens en beestenwagons met krijgsgevangen raasden voorbij. De nabije spoorlijn was immers de drukste verkeersader vanuit Gent, die via het Duitse hoofdkwartier Tielt, de logistiek van het Duitse leger moest ondersteunen in de richting van het front: Ieper en Diksmuide.

Het treinstation van AarseleHet treinstation van Aarsele (links op de foto) was een belangrijke doorvoerroute naar het westen. Rechts op de foto is op de achtergrond het tramstation te zien die de verbinding maakte tussen Kortrijk en Aarsele. © Heemkundige Kring Roede van Tielt

2. Tielt als strategisch hoofdkwartier

De top van de legerleiding, horend tot de Duitse elite, zette Tielt naar hun hand. De stad werd afgesloten met prikkeldraad en uitgebouwd tot militair bolwerk. De bevolking stond in dienst van de bezetter. Vier jaar lang waren Tieltenaars vreemden in hun eigen stad. Hertog Albrecht von Württemberg stond aan het hoofd van het Vierde Duitse Leger en leidde het militaire en dagelijkse bestuur van België ten westen van de Schelde. In 1917 volgde Friedrich Sixt von Armin hem op. Terwijl de inwoners van Tielt en omgeving amper het hoofd boven water hielden, leidde de Duitse legertop een prinselijk leven. De mooiste burgerhuizen van de stad werden opgeëist en ingericht volgens Duitse eisen. Quasi dagelijks dineerde de adellijke legertop in chique restaurants. De Duitse frontsoldaten kwamen in Tielt en omgeving terug op adem. Ze werden verzorgd in hospitalen en terug klaargestoomd voor het front. De bevolking zag alles met lede ogen aan. Massale opeisingen van allerlei aard, onaangekondigde controles, allerhande misbruiken... waren schering en inslag. Zo ook in het naburige Aarsele.

3. Leveringen aan de Duitsers

Het oogstjaar 1914 was gelukkig een echt ‘boerenjaar’ met heel geslaagde oogsten waardoor de aardappelkelders en graanzolders tijdens de eerste oorlogswinter goed gevuld waren. Weldra echter, zal landbouwer Delmotte, net zoals de meeste boeren in het Etappengebied (Oost- en West-Vlaanderen) ervaren dat zij wingewest werden voor het Duitse Leger. Hoe verder de oorlog voortschreed, hoe meer ze als een citroen werden uitgeperst. De kleinschalige boerderijen, op loopafstand van elkaar, waren voor de Duitse ‘Markepakkers’ (scheldnaam voor MP= Militär Polizei) een gemakkelijk doelwit om alle productie te controleren. Landbouwtellingen van paarden, runderen, varkens, kippen en van alle gewassen brachten de Duitsers op de hoogte van de beschikbare voorraden. Via aanplakborden op het gemeenteplein werden de boeren verwittigd van de talrijke opeisingen, waarbij burgemeester Reynaert persoonlijk verantwoordelijk was en borg moest staan voor de leveringen aan het Duitse leger.

Formulier Tielt
Om de haverklap werd burgemeester Reynaert door de lokale Duitse Kommandantur verplicht om de boeren dergelijke bevelen onder de neus te steken. Nadat ze hun aantal kippen, andere dieren of teelten hadden opgegeven, volgden de opeisingen. De straffen voor wie zijn plicht verzuimde, waren niet mals! © Stadsarchief Tielt, archief Aarsele

4. Boter als kostbaar goed

De melkerij De Hoop in de Baudeloostraat, die vanaf 1903 goed beklant was en waar de meeste Aarseelse boeren hun melk leverden, zag zijn klanten afnemen omdat de landbouwers liever terug thuis hun melk volledig tot boter verwerkten. Zo hadden ze nog een appeltje voor de dorst, want de boter, het gele goud, was tijdens de oorlog een ongekend luxeproduct waar hoge prijzen voor betaald werden. Dat kon trouwens beter aan het alziend oog van de Duitsers onttrokken worden dan koeien en paarden. Van dit voordeel van de thuisverwerking van melk tot boter moest de familie Delmotte niet overtuigd worden. Rond die periode werd er immers op de boerderij nog gewerkt met de typische hondenkarn die aan de buitengevel van het huis bevestigd was. Dat was een rad waarin een hond al lopend de boterkarn moest draaiend houden. Het was geen evidentie om dat verborgen te houden voor de bezetter.

5. De rust wordt hersteld na de oorlog

De oorlog zal in 1918 ook in de omgeving van Tielt eindigen met een zeer uitgedunde veestapel en verarmde velden door gebrek aan kwaliteitsvol voeder en voldoende bemesting. De dynamiek van de lokale veehouders zal echter snel zorgen voor een doorgedreven uitbreiding én rasverbetering van de veestapel. Zo ontpopte boer August Delmotte zich na de oorlog als lokale stierenhouder waar de omliggende boeren hun koeien naartoe brachten voor dekking. De familie bleef trouwens actief op het vlak van melkverwerking. Vroeger maakten ze boter, vandaag wordt een gedeelte verwerkt tot roomijs. Er was geen melkophaling, alles werd verwerkt op de hoeve zelf tot boter en karnemelk. De afgeroomde melk was voor de kalveren. De room ging in een kuip en moest ‘verzuren’ alvorens er boter van te maken. In de karn werd het tot boter geslingerd. De boter en de eieren van de leghennen werden thuis verkocht en op de markt van Kruishoutem, een gekende eiermarkt.

De hoeve was in pacht tot 1953, toen kocht de familie Peck de hoeve van de landeigenaar. De boerderij was bereikbaar via een kleine landweg. Pas in 1976 werd er een verharde weg aangelegd, de Gavermeersstraat. In 1981 nam Daniël Peck als jongste zoon het bedrijf over. Tien jaar later besloot hij wegens het lage rendement om enkel melkvee en runderen te houden en in bijberoep tuinarchitect te worden. In 2003 startte echtgenote Martine Declerck met de productie en verkoop van zelf vervaardigd roomijs. Wegens het grote succes werd een nieuw gebouw geplaatst voor de vestiging van een ijssalon. De naam Serelly’s komt trouwens van Cyriel, grootvader van Daniël Peck.

Trammachinisten van Aarsele poseren voor de stoomtram Trammachinisten van Aarsele poseren voor de stoomtram met de watertoren op de achtergrond. © Heemkundige Kring Roede van Tielt

6. Bibliografie

  • Archief en documentatie heemkundige kring De Roede van Tielt.
  • Billiet J. e.a. red., De geschiedenis van Tielt: een nieuwe kijk op een rijk verleden, Tielt, 2009.
  • Demasure B. en Luyten S., Bouwstenen voor een regionale landbouwidentiteit. Een (kleine) geschiedenis van de landbouw en enkele boerderijen in het Tielts Plateau (ca. 1800 tot nu), Leuven (Centrum Agrarische Geschiedenis), 2014, p. 40-42.
  • Demasure B., Boter bij de vis. Landbouw en voeding tijdens de Eerste Wereldoorlog, Leuven, 2014.