Boter bij de vis


Landbouwers bij de Belgisch-Nederlandse grens tijdens WO I

Vanaf het voorjaar 1915 - en op sommige grensplaatsen soms een jaar later - was de Belgisch-Nederlandse grens volledig afgesloten door een elektrische draadversperring waarop een spanning van 2000 volt stond. De bezetter had verschillende redenen om de vrije toegang tot Nederland aan de Belgen te ontzeggen. Oorlogsvrijwilligers trokken via Nederland en groot- Brittannië naar Frankrijk en zo naar het IJzerfront om het Belgisch leger te gaan versterken. De in Nederland gevestigde geallieerde inlichtingendiensten rekenden op Belgische spionnen in bezet gebied om zoveel mogelijk informatie over het Duitse leger over de grens te smokkelen. Honderdduizenden Belgen vluchtten over de grens naar het neutrale Nederland, net als tienduizenden Duitse deserteurs. Geheime post voor frontsoldaten - en de antwoordpost - werd over de grens gesmokkeld en via Groot-Brittannië en Frankrijk aan de soldaten bezorgd. De smokkel van levensmiddelen en kranten vanuit Nederland tierde welig. De bouw van de moordende versperring was uiteraard bijzonder hinderlijk voor de Belgen, vooral voor de grensbewoners: Belgen waren gewoonweg gevangen in hun eigen land. Meer speciaal voor de landbouwers in de grensstreek betekende de grensversperring een lelijke streep door hun rekening.

door Em. Prof. dr. Alex Vanneste (Universiteit Antwerpen)

1. Een moordende grensafsluiting

De grensversperring bestond eigenlijk uit drie evenwijdige afsluitingen: centraal liep een hek met een spanning van 2000 volt op de draden; aan beide zijden hiervan, op anderhalve tot enkele meter, liep telkens een niet geëlektrificeerde en beschermende afsluiting om te beletten dat personen die in de nabijheid van de versperring kwamen al te snel in aanraking zouden kunnen komen met de dodendraad. Dat gold vooral voor militairen die permanent langs de  versperring patrouilleerden of de wacht hielden, alsook voor de zeldzame burgers die bij de versperring kwamen - in principe was het voor burgers immers verboden om de draad te benaderen.

De versperring werd gebouwd langs de Belgisch-Nederlandse grens, maar uiteraard altijd op Belgisch grondgebied. Soms stond ze vrij dicht bij de grenslijn - op enkele meter of tientallen meter - maar soms ook redelijk ver ervan. De grenslijn is immers vrij grillig en de bouwers hebben niet elke insprong of uitstulping van de grens gevolgd: zij sneden vaak min of meer grote stukken Belgisch grondgebied af, zodat er hier en daar stukken zogenaamd niemandsland ontstonden. Zo liep de grensversperring bij de drie “bulten” in de Antwerpse Kempen niet langs de grens, maar in het zuiden van de drie “bulten” die dus gewoon recht werden afgesneden. De omgeving van de gemeenten Essen, Meer en Meersel-Dreef en Poppel lagen zodoende volledig tussen de versperring en de rijksgrens. Dergelijke stukken niemandsland waren evenwel evenzeer bezet. Via poorten in de versperring had de bezetter toegang tot deze gebieden.

Langs de versperring stonden er op regelmatige afstanden schakelhuisjes die fungeerden als wachthuisjes of als technisch gebouw (met een alarminstallatie, onderhoudsmateriaal, enz.) dat was het geval op het oostelijk traject van de versperring, tussen de Schelde en het Drielandenpunt. De afstand tussen de schakelhuisjes bedroeg, naargelang het geval, 0,5 tot 3 km. Op het westelijk traject - tussen de Schelde en Knokke - stonden er veel minder en maakten de Duitsers gebruik van dicht bij de versperring staande woningen die ze opeisten. De bewoners ervan moesten dan maar zorgen dat ze ergens onderdak vonden, in Nederland dan wel in België.

Foto 1De elektrische draadversperring bij Zeeuws-Vlaanderen, wellicht in de omgeving van de Hedwigepolder. Hier isduidelijk te zien hoe de versperring midden door een grote akker loopt © coll. H. Janssen, Merksplas

In principe mocht natuurlijk niemand door de draadversperring gaan. Op het patrouillepad aan Belgische zijde patrouilleerden permanent grenswachters of stonden er schildwachten. ‘s Nachts werd het aantal bewakers of patrouilleurs meestal verdubbeld. Langs de versperring was er trouwens aan Belgische zijde, landinwaarts, een Todesstreifen of Grenzstreifen van enkele honderden tot soms wel 800 m breed, waar niemand toegang toe had tenzij de grensbewakingstroepen. In een strook van 3 km langs de hele grens lag het Grenzgebiet, een  zone waar de vrijheidsbeperking en controles op personen bijzonder streng waren, te vergelijken met de toestand in het Etappen- of Operationsgebiet in Oost- en West-Vlaanderen. De Duitse grensbewakingstroepen hadden opdracht gekregen om meteen te schieten op burgers die in deze zones niet meteen reageerden op een bevel.

Foto 2
De versperring bij Waterland-Oudeman (bij grenspaal 328) tussen een akker en een boomgaard, met een technicus (rechts) en een patrouilleur (links) © uit Förster, W., Kämpfer an vergessenen Fronten, Berlijn, 1931, p. 451.

Met de steun van de intergeallieerde inlichtingendiensten in Nederland probeerde het plaatselijk verzet evenwel om alle mogelijk verzetsactiviteiten aan de grens verder te zetten. Oorlogsvrijwilligers bleven tot de laatste week van de oorlog nog naar Nederland trekken. Veel Belgen bleven naar het veiliger Nederland te vluchten. Levensmiddelen, frontbrieven, spionageberichten en kranten werden over de grens gesmokkeld, enz. Daartoe ontwikkelde het verzet allerlei technieken om alsnog min of meer veilig door de versperring te kunnen gaan. Daarbij probeerde men uiteraard bijna altijd ‘s nachts de Duitse grenswachters te verschalken.

Meestal gebeurden grensovertochten met de hulp van een passeur, een specialist in het overschrijden van de versperring. Passeurs kenden bijzonder goed het landschap aan de grens, zij wisten op welke plaatsen het redelijk veilig was om te proberen door de draad te gaan, zij kenden vaak de grenswachters die zich makkelijk lieten omkopen, zij waren op de hoogte van de momenten waarop de wacht werd afgelost, zij beheersten allerlei technieken om door de draad te gaan, enz.

Foto 3
Het passeursraam © coll. Alex Vanneste

Een veel gebruikte techniek was het gebruik van een inklapbaar passeursraam dat tussen de draden werd gekneld en waardoor vluchtelingen aan de andere kant geraakten. Soms wikkelde men rond twee boven elkaar liggende draden een (isolerend) wollen deken om er tussen te kruipen. Nu eens werd een ton onder de onderste draad geschoven (onderkant en bovenkant waren er uitgeklopt), dan weer passeerde men door een houten fietsvelg die tussen de onderste en de tweede draad werd geplaatst.

Met een schopje groef men ook al eens een sleufje onder de onderste draad om de afstand tussen die draad en de bodem wat te vergroten. Anderen probeerden het met een polsstok of een ladder. Sommigen gebruikten rubberenmatten, handschoenen en laarzen, of een hefboomkniptang om de draad door te knippen. Maar heel vaak gebeurde een en ander met omkoperij: in ruil voor wat levensmiddelen of wat geld beloofde een grenswachter om de spanning gedurende bijvoorbeeld een kwartiertje gewoon af te zetten. Een en ander heeft uiteraard niet kunnen beletten dat er aan de versperring slachtoffers vielen; over de hele oorlogsperiode waren dat er meer dan 1.000. Zij kwamen hoofdzakelijk om ten gevolge van elektrocutie of bij een vuurgevecht aan de versperring.

Foto 4Door de draad met een ton © uit La vie de France, Frans oorlogstijdschrift.

Foto 5
Passeren met een ladder © uit Sterken, L., Het epos van de draad, Neerpelt, 1993.

2. Ernstige hinder voor de landbouwers

De grensversperring sneed als een mes door het landschap, en liep dus ook vaak over akkers en weiden. Om de driedubbele versperring te bouwen, moesten te Duitsers een brede strook vrij maken van minsten 5 meter, vaak veel breder. Wanneer een dergelijke strook door een akker of weide liep, werden die voor de ganse duur van de oorlog onherroepelijk onbruikbaar voor de landbouwer. De strook zelf mocht natuurlijk niet betreden worden, en de zone aan beide zijden lag in de Grenzstreifen, evenzeer ontoegankelijk. Op die wijze werden het landbouwareaal en als gevolg daarvan ook het voedselaanbod in de onmiddellijke nabijheid van de grens drastisch beperkt. Niet zelden gebeurde het overigens dat een woning, een (deel van een) hoeve of een schuur of stal die op het versperringstraject lag - of te dicht bij de draden - gewoon werd afgebroken. Daar hielp geen bemoederen aan.

Fruit- of andere bomen die bij het versperringtraject stonden moesten worden omgehakt. Immers van uit een boomkruin kon men eventueel gemakkelijk over de versperring springen. Anderzijds konden op de draden vallende takken mogelijks schade toebrengen aan de versperring zelf. In sommige gevallen werden landbouwers overigens verplicht om zelf gewassen op en bij het versperringstraject te verwijderen. In zeer uitzonderlijke gevallen liet de tolerante chef van de Kommandantur of de Streckenmeister (de militaire bevelhebber van een strook versperring) wel eens toe dat een akker in de onmiddellijke nabijheid van de versperring alsnog werd bewerkt. Dat was evenwel niet zonder gevaren, want een aanraking met de stroomdraden leidde in zo goed als in alle gevallen tot de onmiddellijke dood door elektrocutie. Zo kwam op 6 september 1916 bij grenspaal 187, onder Luyksgestel, het vier- of vijfjarig zoontje van de Bergeijkse landbouwer J. Wuyts aan de versperring om, waarschijnlijk ten gevolge van zijn kinderlijke nieuwsgierigheid terwijl zijn vader op het veld werkte. De kleine probeerde onder de draad door te kruipen, richting België. De vader, die het ongeval zag gebeuren, wilde Petertje van de draad halen maar werd door enkele andere personen tegengehouden. Met een stok waarrond een oude fietsband werd gewikkeld, werd het verkoolde lichaam van het kind er dan maar afgetrokken. Een armpje was al doorgebrand, het handje viel op de grond...

Eenmaal de versperring er stond, werden veel landbouwers geconfronteerd met andere moeilijkheden. Immers, het waren niet enkel akkers of weiden in de nabijheid van de versperring die verboden terrein waren geworden. Ofwel woonden zij bijvoorbeeld ten zuiden van de versperring en lagen sommige akkers of weiden aan de andere kant van de draad, hetzij in Belgisch niemandsland hetzij op Nederlands grondgebied. Ofwel woonden zij ten noorden van de versperring, in een Belgisch niemandsland, en lagen sommige akkers of weiden ten zuiden van de versperring. In beide gevallen was de toegang tot de zone aan de andere kant van de draad natuurlijk ten strengste verboden.

Stel een landbouwer die weiden had liggen in niemandsland en ten zuiden van de draad woonde. In uitzonderlijke omstandigheden, en tegen betaling, kon de landbouwer op de Kommandantur wel eens een Passierschein krijgen om er te gaan hooien. Daarvoor konden zij langs een welbepaalde poort in de versperring - vermeld op de Passierschein - naar de overkant gaan. Sommige militairen verstonden de kunst om de landbouwers te jennen en verplichtten zij de landbouwer om een poort te gebruiken die op 2,5 km van hun hofstede lag. In voorkomend geval trok de landbouwer met paard en kaar, voorzien van een Passierschein, naar de hem toegewezen poort. Na een controle raakte hij aan de andere kant en kon hij andermaal 2,5 km afleggen om op zijn hooiweide te komen die in vogelvlucht misschien op slechts 200 m van zijn boerderij lag. Na het hooiwerk te hebben opgeknapt kon hij terugkeren naar dezelfde poort. daar moest hij niet zelden de inhoud van zijn kar op de grond kappen: in het hooi konden immers spionnen verborgen zitten, spionageberichten of smokkelwaar. Dan werd alles terug opgeladen en kon de arme man zijn laatste tocht van 2,5 km ondernemen. Om dus te gaan hooien op 200 m van zijn boerderij had hij 10 km afgelegd. Aan de poort in de versperring werd alles altijd nauwgezet gecontroleerd. Mocht het bij de landbouwer zijn opgekomen om aan de overkant te blijven - hij was bijvoorbeeld tegen de op de Passierschein vermelde tijd niet terug aan de poort geweest - dan werd zijn gezin meteen gevangen genomen, en/of kreeg het gezin of de gemeente een fikse boete. Voor landbouwers die akkers of weiden hadden liggen in Nederland, gold een analoge regeling. Wanneer een landbouwer akkers of weiden had in een naburig dorp was ook daarvoor een Schein of toelating vereist, want in het grensgebied mochten burgers in principe hun dorp niet verlaten.

Op dit soort verplaatsingen gold steeds een vrij nauwkeurige en strenge controle, want de bezetter wist uiteraard wel dat landbouwers soms van de gelegenheid gebruik maakten om smokkelwaar, spionageberichten of als helpers vermomde spionnen of oorlogsvrijwilligers over de draad of de grens te brengen.

Foto 6
De versperring op de Muggenhoek tussen Prosperpolder en Kieldrecht. Wanneer de landbouwer van de hoeve akkers wilde bewerken aan de overzijde van de versperring, kon dat slechts ten koste van een ingewikkelde en lange verplaatsing, met heel wat administratieve rompslomp (Coll. A. Vanneste)

Toen de oorlog ten einde was, werd de draadversperring meteen afgebroken, hetzij door gemeenten hetzij door de grensbewoners zelf. De draad werd meestal opgenomen door de landbouwers. Immers, tijdens de ganse oorlog had de bezetter alle soorten draad opgeëist voor zijn verdedigingswerken, de Hollandstellung, het front en... de draadversperring. Zij waren wat blij om opnieuw hun weiden te kunnen afspannen ook al hadden velen hun vee- en pluimveestapel zien herleiden tot een absoluut minimum of zelfs tot niets; Tijdens de oorlog werden er immers van 1 tot 2 miljoen stuks vee (pluimvee inbegrepen) door de bezetter opgeëist (zie de bijdrage van Brecht Demasure op deze site: Landbouw tijdens de Groote Oorlog). Ook het hout vond gretig afnemers: rond 11 november was de winter immers nakend en er waren geen kolen, petroleum of andere brandstoffen om zich tijdens de winter te verwarmen. Het hout van de versperring en de schakelhuisjes was dus zeer welkom!

3. De grensstreek: een tweede front?

Tijdens de oorlog was het hele land bezet, met uitzondering van het uiterste noorwesten. Vrijheidsbeperking, vrijheidsberoving, controles van ‘s morgens tot ‘s avonds, de jacht op spionnen, opeisingen en allerlei andere pesterijen waren dagelijkse kost. In de grensstreek werd dan wel een strijd uitgevochten die uiteraard in niets te vergelijken viel met wat er aan de IJzer en bij Ieper gebeurde, toch was het allesbehalve een bevoorrecht gebied, waar de gestrengheid van de bezetter zich danig liet voelen, heel vaak harder dan in het gebied van het gouvernement-generaal. Zo hebben landbouwers in het hele bezet gebied geleden onder de ineenstorting van de normale landbouwactiviteit en van de voedselmarkt, was het in de grensstreek nog erger. De bouw van de versperring en de dwingende regels in het Grenzgebiet waren immers van die aard dat de landbouwers er nog veel meer hebben afgezien dan elders. De stijging van de voedselprijzen en de dreiging van hongersnood was er minstens even acuut als in het binnenland, al kon de grenssmokkel soms wel de grootste noden lenigen, maar dan wel tegen weeral hoge prijzen en het reëel risico op elektrocutie tijdens smokkeloperaties. En hoewel rurale gebieden in het binnenland het misschien iets minder slecht hadden dan stedelijke omgevingen, was dat in de grensstreek veel minder het geval ten gevolge van de beperkingen in de nabijheid van de versperring. Overigens was de aanwezigheid van toch wel heel wat grensbewakingstroepen aan de grens van die aard dat opeisingen van vee, levensmiddelen, graan, veevoeder, meststoffen e.a. er zeker niet minder frequent waren dan in het binnenland, integendeel (zie het verhaal Landbouw tijdens de Groote Oorlog).

Foto 7
Pentekening van de versperring (uit La Belgique Héroïque et Martyre)

4. Beknopte bibliografie

  • De Schaepdrijver, S., De Groote Oorlog, het Koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog, Antwerpen, 2013.
  • Demasure, B., Boter bij de vis. Landbouw en voeding tijdens de Eerste Wereldoorlog, Leuven, 2014.
  • Vanneste, A., 'De Belgisch-Nederlandse grens onder spanning' in: Volkskunde, 114 (2013) 3, pp. 293-316.
  • Vanneste, A., De Doodendraad. De elektrische draadversperring aan de Oost- en Zeeuws-Vlaamse grens tijdens de Eerste Wereldoorlog, Gent, 2013.
  • Vanneste, A., 'The Belgian-Dutch Border during the First World War. A Second Belgian Front?' in: The Low Countries, 22, 1914, 74-83.
  • Vanneste, A., 'High Voltage Fence (The Netherlands and Belgium)' in: Encyclopedia.1914-1918-online.net, oktober 2014.