Boter bij de vis


Honger tijdens 1914-1918

De inval van Duitsland op 4 augustus 1914 was het beginpunt van letterlijk en figuurlijk vier magere jaren voor de Belgische bevolking. Na amper enkele maanden was de voedselsituatie dramatisch. Er heerste honger aan de Noordzee. Falende voedselimport, een gebrekkige binnenlandse productie door een tekort aan grondstoffen en een slechte verdeling van het weinige voedsel zorgde ervoor dat België behoorde tot de landen waar de levensomstandigheden het meest onder de oorlog leden. De voedselprijzen rezen snel de pan uit waardoor veel gezinnen afhankelijk waren van liefdadigheid en voedselhulp. De bevolking probeerde echter op creatieve wijze met de tekorten om te gaan.

door Brecht Demasure (CAG)

1. Een gebrekkige voedselconsumptie

Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog viel alle import en export van levensmiddelen stil. De Britse blokkade die handel met vijandelijk en bezet gebied verbood, trof echter niet alleen Duitsland. België was plots gedwongen om in haar eigen voedselbevoorrading te voorzien. Dat was dramatisch aangezien circa 80% van het broodgraan moest worden ingevoerd. In november 1914 waren er reeds voedseltekorten. De beschikbare voorraden slonken zienderogen, niet in het minst door de opeisingen van het Duitse leger. Duitse soldaten verzonden bovendien gretig Belgische voedingsproducten naar het thuisfront. Vanaf 1915 wordt de schaarste echt voelbaar. De bezetters hadden geen baat bij een hongerige bevolking want zij wensten zo veel mogelijk rust in het veroverde gebied. De Duitsers lieten het echter na om de bevoorrading van België op zich te nemen. De schaarste stuwde de voedselprijzen naar ongeziene hoogtes. Hongersnood bedreigde het bezette land.

Porte des boulangersHet gebrek aan graan deed zich meteen voelen tijdens de eerste dagen van de oorlog

Als antwoord op de bevoorradings- en voedselproblematiek ontstond in oktober 1914 het Nationaal Hulp- en Voedingscomité (NHVC). Deze private organisatie voorzag de Belgische bevolking vier jaar lang van voedsel, dat werd aangekocht via de Commission for Relief in Belgium (CRB), het grootschalige Amerikaanse hulpprogramma. Via een systeem van rantsoenering werden de beperkte levensmiddelen verdeeld onder de behoeftige bevolking. De import van de CRB was evenwel ontoereikend. In 1913 werd bijna vier miljoen ton voedsel ingevoerd in België. De import tijdens de vier oorlogsjaren samen benaderde dat aantal niet eens. Zo bedroeg de voedselimport van 1917 slechts 16% van 1913. De nationale voedselproductie kon omwille van verschillende redenen dat significante tekort niet aanvullen. Zo was er een gebrek aan mankracht, nam het landbouwareaal af, verminderde de veestapel drastisch, was er een tekort aan dierlijke mest en kunstmest, was er een tekort aan plant- en zaaigoed en mislukten enkele oogsten. Vooral de beschikbaarheid van vlees en andere dierlijke producten zou scherp terugvallen naarmate de oorlog vorderde.

Tijdens de winter van 1916-1917 werd de situatie rampzalig. Handelaars en winkeliers verkochten in de loop van 1916 opgepotte goederen tegen prijzen die dubbel zo hoog waren als in augustus 1914. Aardappelen en rapen die bestemd waren als veevoeder, verdwenen in de magen van de hongerige mensen. Een hongercrisis zoals die in de jaren 1845-1847 in Vlaanderen duizenden slachtoffers had gemaakt, doemde eind 1917 op. De enorme prijsstijgingen bewijzen de schaarste op de markt. Gemiddeld lag in 1917 het prijspeil van voedsel bijna 100% hoger dan in 1916. Vooral vlees en zuivel waren onbetaalbaar geworden. In 1913 verorberde de Belg gemiddeld 30 kg vlees, in 1919 – na de oorlog – was dat nog amper 17 kg. Op de zwarte markt lagen de prijzen nog veel hoger. Aardappelen op de Brusselse zwarte markt haalden in 1917-1918 prijzen die 10 tot 15 keer hoger waren dan in 1914, terwijl dat volgens de officiële (Duitse) prijzen slechts 3 tot 4 keer duurder mocht zijn! Voor de meeste sociale klassen was een normaal voedingspatroon onbereikbaar.

Schoolkoek tijdens WO IKinderen waren vaak het eerste slachtoffer van de hongercrisis

De enorme prijsstijgingen ontwrichtten het consumptiepatroon volledig. Het menu in 1915 was sterk verschillend met dat van voor de oorlog. Goedkope calorieën vervingen de duurdere calorieën. Vlees, boter, eieren, vet en melk waren nagenoeg afwezig in de maaltijd. Aardappelen verdrongen brood als basisvoedsel. De normaal geachte calorieënbehoefte van een volwassen man – schommelend tussen 2.800 en 3.500 kcal per dag – werd tijdens de oorlog niet bereikt. In september 1917 had een Brusselse werkloze een calorietekort van liefst 1.400 tot 2.000 kcal. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verloor niet minder dan 80% van de bevolking aan gewicht met een gemiddelde van 2 à 3 kg per persoon. Het gemiddelde gezinsbudget zag er niet anders uit dan dat van de jaren 1860. Er was sprake van hoge voedseluitgaven met een dominantie van aardappelen en brood. In 1919 was ongeveer 85% van het totale budget van een mijnwerkersgezin bestemd voor voeding. In oorlogstijd was dat ongetwijfeld niet veel anders.

De voedselschaarste, de hoge prijzen van levensmiddelen en het eentonige menu deden de mensen massaal vluchten naar openbare en privéliefdadigheid. Niet alleen armen, zieken en bejaarden maar ook werkende arbeiders vroegen om ondersteuning. Beroepsgroepen zoals winkeliers (lege stocks), ambachtslui (gebrek aan grondstoffen) en kleine spaarders (getroffen door de inflatie) die nog nooit van steun afhankelijk waren geweest, stonden aan te schuiven in de rij. Een bordje soep met een stukje brood was de enige betrouwbare hulpverlening. Ongeveer 40% van de Belgische bevolking maakte in 1917 gebruik van de soepbedeling. Die werden georganiseerd in 74% van de Belgische gemeenten, met als zwaartepunt de steden en de industrieregio’s.

Soepkeuken tijdens WO ISoep was uitermate populair tijdens WOI

2. Overlevingsstrategieën

Zowel de Boerenbond als het NHVC lanceerden initiatieven om de voedselschaarste van de Belgische bevolking aan te pakken. In elk dorp werden dagelijks openbare soepbedelingen met een snee brood georganiseerd. Er werden tips gegeven voor een evenwichtige maaltijd. Boerinnen kregen les over zuinig koken en het verstellen van oude kledij. In 1915 publiceerde de Boerinnenbond een boekje over ‘Bewaren van groenten en fruit’ en ‘Nuttige raadgevingen over de voeding’. Ook het NHVC bracht talrijke brochures uit. Enkele tips waren bijvoorbeeld brood vervangen door rijst en maïs, vlees door vis en mosselen en boter door goedkopere vetstoffen. Suiker beschouwde men best als een basismiddel. Vijvers, rivieren en kanalen kregen plots talrijke amateur-vissers op bezoek. De boeren zelf werden tot slot aangeraden om terug ‘te leren boeren gelijk grootvader het deed’, zonder meststoffen en veevoeders.

In de steden en dorpskernen was de voedselnood het hoogst. Arbeiders had zelden tuinen en waren niet in staat om zelf groenten te kweken. Het Werk van den Akker, sinds 1896 de koepelorganisatie voor de Belgische volkstuinen, stimuleerde samen met de Landbouwsectie de bevolking om moestuinen aan te leggen. Alle beschikbare terreinen, of ze nu in handen waren van particulieren, de staat of de gemeente, werden omgevormd tot hoogproductieve tuinbouwgrond. Groenten, fruit en vooral aardappelen waren de voornaamste teelten. Als meststof werd meestal stadsbeer of mest van huisdieren gebruikt. Bermen, onverkochte bouwgrond, opgeruimde storten, omgespitte stadsparken… werkelijk alle lapjes grond werden mettertijd benut. Het Werk van den Akker kende een groot succes: in 1914 waren 16.000 families met ongeveer 800 hectare aangesloten; in 1918 maar liefst 180.000 families, goed voor 7300 hectare! De doelstelling was ‘meer te produceren met minder’.

enkele leden van het Werk van de AkkerHet Werk van den Akker groeide enorm tijdens de Eerste Wereldoorlog © Volkstuin Gentbrugge

De hoge voedselprijzen en de woekerpraktijken van de landbouwers deden de bevolking in actie schieten. De voedselschaarste liet het spookbeeld van oproer en onlusten meermaals ontstaan. De bezetter probeerde de sociale onlusten zoveel mogelijk onder controle te houden door maximumprijzen in te stellen voor nagenoeg alle levensmiddelen. De vrees voor grote onlusten in het geval van een echte hongercrisis was groot. Doordat de nationale markt stilgevallen was, verliep de productie, distributie en consumptie binnen een lokaal of regionaal kader. Uit onderzoek bleek dat België tijdens de oorlog teruggreep naar een klassiek ‘actie-repertoire’ van hongeroptochten, petities, prijsrellen en vergeldingsacties.

Naast de voedselbevoorrading georganiseerd door talrijke hulporganisaties waren er ook alternatieve methodes om de honger te stillen. Op het einde van de oorlog waren er weinig boerderijen waar niet was ingebroken. De boeren namen uiteraard maatregelen. Rijke landbouwers betaalden een knecht om de wacht te houden en om diefstal van dieren te beletten. Velden en vruchten leden sterk onder ‘moeskopperij’, of het stelen van groenten, fruit en gewassen terwijl ze nog op het veld stonden. Het veronderstelde het illegaal plukken, afrukken, afsnijden of uitgraven van de vruchten. Tijdens 1914-1918 werd niet gewacht tot de vrucht volgroeid was. Aardappelen werden soms uitgekapt zodra ze enigszins begonnen te knollen, het loof van de aardappelen verdween regelmatig en onrijp fruit werd geplukt. Om boeren te misleiden, haalden dieven de aardappelen uit de grond maar zetten de struiken terug in de aarde.

De Eerste Wereldoorlog was trouwens een glorieperiode voor smokkelaars. De bezetter had de bevolking onderworpen aan een reeks maatregelen die vergunningen vereisten om goederen te vervoeren. De voorwaarden waren zo streng dat slechts een klein deel van de bevolking toestemming kreeg om goederen te transporteren. Het ontstaan van smokkelhandel was een logisch gevolg. Het was een manier van overleven voor iedereen die getroffen werd door de tekorten en armoede die de oorlog met zich meebracht. De opsplitsing tussen Generaal-Gouvernement en Etappengebied – elk met strikte reglementen – gaf aanleiding tot intense smokkelpraktijken.

3. Voedselconsumptie na de oorlog

Uit onderzoek bleek dat de voedselconsumptie na de oorlog snel herstelde. In 1920 was nog weinig te merken van de dramatische tekorten tijdens 1914-1918. De voedselimport haalde in de jaren 1920 reeds een behoorlijk peil, al was het vooroorlogse niveau veraf. De structuur was echter gewijzigd: de invoer van vlees, vis, fruit en zuivel steeg terwijl de import van granen daalde. Dat was een teken dat de broodconsumptie afnam en het eetpatroon een grotere variatie kende. Tijdens de jaren 1920 nam bovendien de ongelijkheid inzake voedselconsumptie tussen de verschillende maatschappelijke klassen spectaculair af. De consumptie van duurdere producten zoals suiker en vlees steeg gevoelig bij arbeidersgezinnen. De brood- en aardappelconsumptie van de verschillende klassen groeide naar elkaar toe. Het vernieuwde socio-economische beleid en het naoorlogse economische herstel waren verklaringen voor het snelle en kwalitatieve herstel van de voedselconsumptie. Maar of dat volstond voor de ontberingen van de Tweede Wereldoorlog moest nog blijken.

4. Beknopte bibliografie

  • Blom R., Honger. Een geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog, Tielt, 2008.
  • Delsemme A. en Putzeys F., Wat eenieder hoort te weten omtrent de rationeele voeding: beknopte inhoud der conferenties in 1916, Luik, 1917.
  • Demasure B. en Segers Y., ‘Eten in oorlogstijd. Voedselaanbevelingen en keukentips in België tijdens de Eerste Wereldoorlog’, in: Volkskunde. Tijdschrift over de cultuur van het dagelijkse leven, 114 (2013), p. 257-278.
  • Rasquin M., Vers le régime végétarien (Comité de Secours et d’Alimentation du Hainaut), Charleroi, 1915.
  • Vrints A., ‘Sociaal protest in een bezet land: voedseloproer in België tijdens de Eerste Wereldoorlog’, in: Tijdschrift voor Geschiedenis, 124 (2011), p. 30-47.
  • Scholliers P., ‘Oorlog en voeding: de invloed van de Eerste Wereldoorlog op het Belgische voedingspatroon, 1890-1940’, in: Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 11 (1985), p. 30-50.
  • Tunc T., ‘Less Sugar, More Warships: Food as American Propaganda in the First World War’, in: War in History, 19 (2012), p. 193-216.