Boter bij de vis


Het Nationaal Hulp- en Voedingscomité redt de bevolking

De Britse handelsblokkade zorgde ervoor dat er aan het begin van de Eerste Wereldoorlog amper levensmiddelen België werden ingevoerd. De beschikbare voedselvoorraden in het bezette gebied slonken als sneeuw voor de zon. Op 26 oktober 1914 was er volgens de Amerikaanse gezant, Brand Whitlock, slechts nog voor vier dagen meel beschikbaar. Als antwoord op de bevoorradings- en voedselproblemen, werd het Nationaal Hulp- en Voedingscomité (NHVC) opgericht. Deze private organisatie voorzag de Belgische bevolking vier jaar lang van voedsel, dat werd aangekocht via de Commission for Relief in Belgium (CRB), het grootschalige Amerikaanse hulpprogramma. Toch verliep niet alles van een leien dakje. Er waren onderlinge conflicten tussen het NHVC en de CRB, de Duitsers bemoeiden zich te pas en te onpas en er waren vele fraudegevallen. De acties van het NHVC zorgden er echter voor dat het land niet verhongerde.

door Brecht Demasure (CAG)

1. Een staat in de staat

Kort na de Duitse inval kwamen in steden en gemeenten spontaan hulporganisaties tot stand. De voedselsituatie was in sommige plaatsen op korte tijd zeer precair geworden. Begin september 1914 nam scheikundige en grootindustrieel Ernest Solvay samen met Emile Francqui, directeur van de Société Générale, het initiatief om in Brussel een hulporganisatie op te richten. Het doel was om de Brusselse bevolking van voldoende voedsel te voorzien. Andere prille gemeentelijke initiatieven sloten zich hierbij aan en tegen het einde van de maand was de organisatie landelijk geworden.

Het Brusselse comité vormde zich in de loop van oktober om tot het Nationaal Hulp- en Voedingscomité (NHVC). Het NHVC was hiërarchisch gestructureerd. Het voorzitterschap kwam in handen van Ernest Solvay. De leden van de algemene vergadering stamden allen uit de hoogste politieke en industriële kringen van het land. Emile Francqui was voorzitter van het uitvoerend comité. Het uitvoerend comité bestond verder onder meer uit Albert Henry, secretaris van het ministerie van Landbouw. Onder het nationale comité bevond zich het provinciale niveau. De vertegenwoordigers van de provinciale comités vormden de link tussen de Brusselse en de regionale elites. Het NHVC was ook actief in het bezette deel van Noord-Frankrijk.
Emile FranquiEmile Franqui
© G. Rency, 'La Belgique et la guerre. Tome I. La vie matérielle de la Belgique durant la guerre mondiale', Brussel, 1920, p. 128.
 
Verschillende regionale afdelingen van het NHVC, meestal per arrondissement, opereerden onder het provinciale comité. Deze regelde de distributie voor verschillende groepen van gemeenten. Op het basisniveau bevond zich het lokale comité, meestal één per gemeente. In totaal waren er zo’n 4000 lokale comités. Plaatselijke notabelen zoals de dokter, brouwer, onderwijzer of pastoor maakten er deel van uit. Alles samen telde het NHVC in 1918 meer dan 125.000 onbezoldigde medewerkers. De Amerikaan Brand Whitlock en de Spanjaard markies van Villalobar werden aangesproken om als internationale bemiddelaars op te treden. Vanaf april 1915 maakte ook de Nederlander Maurits van Vollenhoven deel uit van dit gezelschap.

De Duitsers waren aanvankelijk opgelucht dat een private organisatie de voedselbevoorrading organiseerde. Vanaf medio 1915 hinderde de bezetter echter de werking van het comité. Door de controle van de communicatiemiddelen en het nauwe toezicht op doorgangsbewijzen poogde ze het overleg tussen de lokale afdelingen met het nationaal bestuur te beknotten. Toch was het NHVC als privé-organisatie relatief goed behoed tegen Duitse inmenging.

Voedselbedeling
Het uitvoerend comité van het NHVC was samengesteld uit leden van de hogere maatschappelijke klasse

2. De noodzaak van internationale solidariteit

Het binnenlandse comité was alleen niet bij machte om het dreigende gevaar van een hongersnood af te weren. Zonder internationale solidariteit was het land nergens. Uit militair-politieke hoek was er in Groot-Brittannië grote tegenstand om de blokkade te doorbreken en goederen en levensmiddelen naar het bezette land te verschepen. Zij vreesden dat het Duitse leger deze goederen in beslag zou nemen. Na moeizame onderhandelingen beloofde Duitsland om geen levensmiddelen op te eisen die door neutrale landen zoals de Verenigde Staten en Nederland werden ingevoerd.

Om de initiatieven inzake internationale solidariteit te structureren, richtte Herbert Hoover – de latere Amerikaanse president – in oktober 1914 de Commission for Relief in Belgium (CRB) op. Het beeld dat in de Verenigde Staten opgehangen werd van ‘poor litte Belgium’, veroorzaakte een vloedgolf van sympathie. Talloze liefdadigheidscomités werden in de VS opgericht om de nodige fondsen te verzamelen. Hoover zette grootschalige mediacampagnes op touw om producten zoals conservenblikken, landbouwmateriaal, brandstoffen en kledij te verzamelen. Onder het motto ‘Food will win the war’ spoorde hij de Amerikanen aan om zuinig te zijn zodat er meer voedsel naar Europa kon worden verscheept. Aan het einde van de oorlog beschikte de CRB over 2.313 schepen die hulp- en levensmiddelen af- en aanvoerden.

De relatie tussen het NHVC en de CRB was complex. De CRB was verantwoordelijk voor de aankoop en het transport van levensmiddelen. Alle goederen bestemd voor België en Noord-Frankrijk werden via neutrale schepen naar de haven van Rotterdam gebracht. Het NHVC van zijn kant was bevoegd voor de distributie van de levensmiddelen in het bezette België. De CRB had een grote macht, omdat het fungeerde als leverancier en over de meeste financiële middelen beschikte. De ingevoerde levensmiddelen bleven eigendom van de CRB tot ze arriveerden op het lokale niveau. De praktische uitvoering en de kosten voor transport van de levensmiddelen vielen ten laste van het NHVC. Toen de Verenigde Staten op 7 april 1917 Duitsland de oorlog verklaarde na de aanhoudende duikbotenoorlog, werd de werking van de CRB onmogelijk. Een nieuwe organisatie, het Spaans-Nederlands Comité (SNC), zag het levenslicht. Het SNC nam de voornaamste taken van de CRB over.

Meelzak
Tientallen meelzakken werden uit Amerika ingevoerd om de Belgische bevolking tijdens WOI te bevoorraden
© R. Aznar Casanova, 'La panification dans la province de Liège et ses formes d’administration', Luik, 1917, p. 52.

3. Amerikaanse winkels en soepkeukens

Het NHVC bestond uit twee grote afdelingen. Vooreerst was er het departement Voeding dat zich bezighield met de aankoop en verdeling van levensmiddelen. Het kocht producten aan bij de CRB, de Duitse Zentralen en vooral bij de lokale landbouwers. De boeren werden door het comité verplicht om bepaalde hoeveelheden te leveren. De import van levensmiddelen was berekend als aanvulling op de ontoereikende binnenlandse landbouwproductie. Het expliciete doel van de CRB was om supplementaire voedselvoorraden te verstrekken. Daarnaast was er het departement Hulp dat vluchtelingen, daklozen, oorlogsinvaliden, werklozen en oorlogswezen ondersteunde. De giften uit liefdadigheidsfondsen en de winsten uit verkoopacties werden onder meer gebruikt voor de verdeling van gratis rantsoenkaarten, gratis middagmalen voor arme kinderen en de werking van de soepkeukens.

De producten werden op het lokale niveau verkocht in zogenaamde Amerikaanse winkels. In nagenoeg elke gemeente waren er winkels en magazijnen van het NHVC, soms verbonden aan het gemeentelijke depot. Meestal waren dit inderhaast vrijgemaakte ruimtes zoals cafés, scholen of magazijnen van bedrijven. In de stad Luik waren hiervoor maar liefst vijftig magazijnen en lokalen vrijgemaakt.

Producten als tarwe, maïs, erwten, bonen, rijst, spek, reuzel, koffie en cacao werden onder de bevolking verdeeld. Onder de vlag van het CRB en NHVC werden de producten over het bezette land vervoerd. Aangezien de transportmiddelen grotendeels gecontroleerd of buiten werking waren gesteld door de Duitsers was het vervoer van de levensmiddelen geen evidentie. De bezetter hinderde de werking via een buitensporige administratie en strikte controles. Het gebeurde wel eens dat etenswaren lagen te rotten in de centrale magazijnen omdat er geen transportvergunning was.

KaartIn de stad Luik waren meer dan vijftig gebouwen opengesteld voor de werking van het NHVC/SNC
© CAG

4. Voedsel op de bon

Het Voedingscomité maakte gebruik van rantsoenkaarten om de levensmiddelen evenredig over de bevolking te verdelen. Elke gemeente (of regio) had een ander exemplaar. Het was verboden om te beschikken over kaarten van verschillende gemeenten. Iedere hulpbehoevende had recht op een rantsoenkaart. Op de persoonsgebonden kaart stond naast de naam van het gezinshoofd ook vermeld voor hoeveel personen de rantsoenen bestemd waren. Om fraude te vermijden moest de klant naast de rantsoenkaart ook zijn ‘eenzelvigheidskaart’ (soort identiteitskaart) meebrengen. Levensmiddelen die op de bon stonden, waren onder andere: brood, boter, groenten en fruit, vlees, vet en reuzel, aardappelen en gist. Andere producten zoals kolen, kledij en brandstoffen werden ook gerantsoeneerd.

De afdelingen van het NHVC werkten samen in diverse gemeenschappelijke sociale projecten: openbare soepbedeling via de volkskeukens, de bereiding van schoolsoepen, het openen van volksrestaurants met maaltijden aan een goedkope prijs, restaurants ‘economique’ voor de middenklasse… Kinderen en jongeren van scholen, colleges en pensionaten kregen vanaf maart 1918 dagelijks een ‘schoolkoek’. De koek bezat een hoge voedingswaarde en werd ‘s morgens aan de leerlingen gratis uitgedeeld.

Soepkeuken WOI
Bereiding van soep in de gaarkeuken
© Georges Rency, La Belgique et la guerre. Tome I. La vie matérielle de la Belgique durant la guerre mondiale, uitgeverij Henri Bertels, Brussel, 1920, p. 239.

5. Misbruik en fraude

Het realiseren van de doelstellingen van het NHVC was grotendeels afhankelijk van de gedrevenheid en eerlijkheid van haar medewerkers, zowel nationaal, provinciaal als lokaal. Ondanks de goede bedoelingen was er veel sluikhandel en gesjoemel. Fraude met prijzen of hoeveelheden, het begunstigen van een kennis of het achterhouden van levensmiddelen om op de zwarte markt te verkopen, waren enkele van deze wanpraktijken. Hierdoor dreigde Groot-Brittannië ermee – naast de niet aflatende opeisingen van de Duitsers – om in 1916 de economische blokkade te verstrengen en de voedselhulp te stoppen.

Na de Britse dreigementen werd een controleorgaan met een inspectiecommissie uitgebouwd. Als lokale afdelingen zich niet aan de afspraken hielden, werden de leveringen geschorst. Vanaf 1916 gaf het centrale comité van het NHVC concrete inlichtingen over wat van de lokale comités werd verwacht. De hoofdzetel wilde niet alleen misbruik bannen, maar er ook voor zorgen dat de activiteiten van het NHVC een zo hoog mogelijk rendement bereikten. Zo werden zelfs gedetailleerde richtlijnen voor het bereiden van schoolsoep en het bakken van koeken rondgestuurd. De bezetter van zijn kant stelde strenge maatregelen op tegen misbruik of fraude met middelen van het NHVC.

De kwaliteit van de voedingsmiddelen was beneden alle peil. Door het gebruik van minderwaardige granen had het brood een slechte smaak. Om de kwaliteit van het graan en brood te meten, richtte het NHVC een specifiek controlecomité op. Uit diverse controles bleek dat een aantal bakkers niet wenselijke grondstoffen – zoals zagemeel – in hun brood verwerkten. Smaak, gewicht en voedingswaarde van het brood leden er onder. De controlecommissie van het NHVC wees de bakkers meermaals op hun rechten en plichten in verband met de levering van brood.

Rantsoenkaart
Het NHVC zag strikt toe op het gebruik van de rantsoenkaarten
© Julien Van Damme

6. Een pover resultaat

Ondanks alle inspanningen van het NHVC kampte België met een gigantisch voedseltekort. De totale voedselimport in 1915 was met bijna 1 miljoen ton veelbelovend. De invoer van het eerste jaar werd echter nooit meer geëvenaard. In 1917 werd slechts 66% ingevoerd van de hoeveelheid van 1915. De tekorten kwamen vooral aan het licht tijdens een vergelijking met de normale voedselimport. Het Statistisch Jaarboek van 1913 vermeldde een invoer van 3.960.752 ton voedsel. De import van het NHVC raakte zelfs niet aan dit cijfer tijdens de vier oorlogsjaren samen. In 1915 bedroeg de voedselimport 24% van de import van 1913, in 1916 21 %, in 1917 16% en in 1918 19%. Het problematische vervoer van de goederen was de belangrijkste oorzaak. Het NHVC was nooit in staat om de tekorten weg te werken. De Belgische overheid in ballingschap was de grootste financier van de levensmiddelen.

Na de wapenstilstand bleef het NHVC nog enkele maanden actief. De voedselimport vanuit de Verenigde Staten liep voort tot in 1919. Naast barmhartigheid en medeleven met de getroffen bevolking waren er ongetwijfeld nog andere motieven die meespeelden. Binnen de hoogste kringen van het NHVC vreesde men al in 1916 voor een revolutie wanneer de oorlog zou beëindigd zijn. Sinds de revolutie in Rusland in 1917 was het ‘rode gevaar’ een realiteit. Uit angst voor sociale oproer en het oprukkende bolsjewisme werd de voedselbevoorrading verdergezet. Goedkoop voedsel bleek een efficiënt middel om de misnoegde en opgehitste arbeidersbevolking te sussen.

comite
Ondanks de goede bedoelingen waren de acties van het NHVC vaak niet voldoende
© Collectie Heemkundige Kring Twee Ambachten Assenede

7. Bibliografie

  • De Lannoy C., L’alimentation de la Belgique par le comité national, novembre 1914 à novembre 1918, Brussel, 1922.
  • De Schaepdrijver S., De Groote Oorlog. Het koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog, Antwerpen, 1997.
  • Henry A., L’Oeuvre du Comité National de Secours et d’Alimentation pendant la guerre, Brussel, 1920.
  • Nath G., Brood willen we hebben! Honger, sociale politiek en protest tijdens de Eerste Wereldoorlog in België, Antwerpen, 2013.
  • Rapport général sur le fonctionnement et les opérations du Comité National de Secours et d’Alimentation, 7 dln., Brussel, 1919-1921.
  • Van Bosstraeten T., Bezet maar beschermd: België en de markies van Villalobar tijdens de Eerste Wereldoorlog, Leuven, 2008.