Boter bij de vis


Haspengouwse oorlogsverhalen

Een half jaar reisde de tentoonstelling Boter bij de Vis door Haspengouw. Ze hield halt in drie gemeenten in het werkingsgebied van Erfgoed Haspengouw: Borgloon, Riemst en Gingelom. Verhalen over landbouw en voeding tijdens de Eerste Wereldoorlog gaven de tentoonstelling een lokaal karakter in elke gemeente. De vertelde verhalen en getoonde foto’s, documenten en voorwerpen werden verzameld door de heem- en geschiedkundige kringen uit de verschillende gemeenten.

Hier volgt slechts een greep uit de vele Haspengouwse verhalen.

1. Michel Toudy, een Loonse getuige aan het IJzerfront (1914-1915)

door Ivo Gilisen

Op 20 augustus 1887 ziet Michel Toudy het levenslicht in Borgloon. In 1914 wordt hij als beroepsmilitair bij het regiment grenadiers (6de divisie) naar de oorlog gestuurd. Door heldhaftig gedrag wordt hij tijdens te oorlog van onderofficier tot luitenant bevorderd. Van 1 augustus 1914 tot 3 oktober 1915 houdt hij een dagboek bij. Daarin spreekt hij regelmatig over het eten aan het front.

In de eerste dagen van de oorlog krijgen de soldaten vaak de kans niet om een fatsoenlijke maaltijd te nuttigen.

19 augustus 1914
We kwartieren in, ik word ontvangen door brave mensen die meteen een lekkere maaltijd beginnen klaar te maken en een goed bed ligt ook op me te wachten. Maar helaas! We moeten onmiddellijk vertrekken. Het is triest, maar per slot, ‘à la guerre comme à la guerre’.

7 september 1914
(…) De dame van de notaris belooft me een lekkere maaltijd, helaas rond 10 uur krijgen we orders om te vertrekken. We steken opnieuw de Schelde over en we komen te Aartselaar toe om 16 uur.

In de loopgraven is er regelmatig sprake van voedseltekort.

17 oktober 1914
We werken de hele dag om loopgraven te maken. De strijd moet hevig zijn te Diksmuide en verder naar het noorden omdat de beschieting daar zeer hevig is. We zitten al 3 dagen zonder brood.

24 oktober 1914
We maken een verschrikkelijke dag door. Tijdens de nacht slaan we verschillende aanvallen af. We zijn volledig op en hongerig, want sinds de 21ste hebben wij geen eten meer. We zijn verplicht te eten wat we vinden in de knapzakken van onze onfortuinlijke dode kameraden en het water uit de sloten te drinken. In de ochtend, eet ik het laatste stukje worst dat mijn lieve Gerardine me gebracht heeft te Grez-Doiceau en dat ik tot het laatste ogenblik bewaard heb.

Het voedseltekort en de eenzijdige voeding veroorzaken al snel ziekte en ongemak.

3 november 1914
‘s Nachts heb ik buikpijn omdat ik sinds een paar dagen alleen ingeblikt voedsel gegeten heb. Ik ben bang dat ik ziek zal worden en bovendien staan we constant in het water. Wat een ellende!

8 en 9 november 1914
Luitenant Lefèvre heeft voor ons een lekker konijn klaargemaakt, helaas kan ik er niet van genieten want ik heb sinds deze morgen weer buikkrampen. In de namiddag moet ik gaan liggen en de dokter laten komen want ik heb vreselijke buikkrampen. Omstreeks middag verminderen de kolieken en de koorts, maar ik krijg een ernstige diarree die me de hele nacht naar het toilet doet lopen.

Michel Toudy

Michel Toudy in vol ornaat. © Jos Bamps

De bekendste passage uit zijn dagboek is ongetwijfeld zijn beschrijving van het spontane kerstbestand in 1914. In de nacht voor Kerstmis 1914 stoppen de gevechten op vele plaatsen aan het front. Soms kwamen beide partijen zelfs uit de loopgraven. Deze gebeurtenis staat bekend als het Kerstbestand. Maar niet iedereen juicht het Kerstbestand toe. Toudy is een van de vele die hiervoor geen begrip opbrengt. Hij schrijft vanuit de loopgraven bij Diksmuide hierover het volgende in zijn oorlogsdagboek.

25 december 1914
's Nachts, in de loopgraven van Diksmuide, aan de linkerzijde van de brug. In de nacht van 24 op 25. In tegenstelling tot gewoonlijk hoor je geen enkel schot. Wat gebeurt er? Zou dit het einde van de oorlog zijn? Om 23 uur horen we de Duitsers in de ruïnes van Diksmuide en in de loopgraven zingen. Ze vieren Kerstmis in onze puinen. Om middernacht, om hen te laten zien dat we nog niet ontmoedigd zijn, beginnen enkele grenadiers patriottische en kerstliederen te zingen. Deze scène duurt de hele nacht. En dan te bedenken dat er mensen zijn die dit een geweldig iets vinden. Vanaf de vroege uurtjes vraag je je af wat er gebeurt, de Duitse heren veroorloven zich om buiten hun loopgraven voor ons te komen wandelen.

Als ik mijn zin kon doen, dan zouden ze daar niet lang wandelen, ik zou hun de charmes van enkele kogels uit een machinegeweer laten smaken. Maar wat wil je, al die grenadiers komen ook uit hun loopgraven en het feest begint. Zij drijven de vriendschap zover dat uitwisselingen allerhande beginnen, de moffen werpen ons pijpen, sinaasappels, chocolade enz... toe. Waarschijnlijk gestolen bij onze burgers, er zijn ezels die dom genoeg zijn die dingen te aanvaarden en hun eveneens souvenirs toe te werpen. Wat doen onze grote bazen hier aan? Ze doen niets om dit schandaal te stoppen en deze eerste stap naar de germanisering te verhinderen. Er zijn er zelfs die dit leuk vinden. Ze laten zich eveneens imponeren door enkele Duitsers die onze dierbare doden begraven die tussen hun linies en de IJzer liggen. ...

Michel Toudy raakt in 1917 ernstig gewond bij een granaatontploffing in de loopgraven en overlijdt op 19 juli in het hospitaal van Hoogstade. Hij wordt eerst begraven in Hoogstade en rust nu in het ereperk van gesneuvelden in Jette. De dienst had destijds plaats in Koekelberg.
Zijn dagboek blijft een belangrijke tijdsdocument en wordt bewaard in het Flanders Fields Museum te Ieper. In vele historische werken over de Eerste Wereldoorlog wordt hij geciteerd.

Het verhaal van Michel en al deze fragmenten kwamen aan bod op de voordracht 'De oorlogsdagboeken van Toudy' op woensdag 8 maart 2017 door Ivo Gilisen.

Dagboek Michel Toudy

De cover van het dagboek van Michel Toudy © Jos Bamps

2. De grens, een vloek en een zegen in Kanne

door Paul Vrijens

De bezetting heeft grote gevolgen voor de inwoners van de grensgemeenten. Veel akkers van Kannenaren liggen in 1914 op Nederlands grondgebied. Om hun akkers te bewerken moeten de landbouwers de grens oversteken en hebben ze een pas nodig. Op de ‘Nederlandse velden’ leggen ze contact met familieleden en kennissen, die naar Maastricht vluchten. Soms worden de passen echter, zonder veel uitleg, voor een tijd ingehouden. Op 2 februari 1916 nemen de Duitsers de passen af van de meer dan 100 Kannenaren, die in Maastricht werken en daar volgens pastoor Langenhoff veel geld verdienen. Zes weken later krijgen ze deze terug.

De controles aan de grens zijn niet mals:

Op 3 juni op de wacht aan de Kapel van Nedercanne, werden alle werklieden, die naar Maastricht wilden gaan, geheel naakt uitgekleed, ouderlingen van 60-70 jaren zowel als kinderen van 14-15, niet afzonderlijk maar met zes tegelijk. Ook de Zeer Eerwaarde Pater M., die van Maastricht geroepen was voor een zieke, moest zijn bovenhabijt uittrekken en na hevig protest liet men Z.E.H. het onderkleed aanhouden… En het grote Vaderland was nogmaals gered!

Pieter Jozef Bemelmans is een van de mensen die dagelijks voorbij de grens moet. Hij besluit uiteindelijk om in Maastricht te verblijven tijdens de oorlogsjaren om deze controles te mijden. Pieter krijgt van zijn werkgever Regout een kamer. Vanuit Maastricht stuurt hij bijna wekelijks via een organisatie een pakje naar zijn zoon Frans, die als krijgsgevangene in Soltau zit. In maart 1918 gaat Pieter Jozef biechten en op weg naar zijn kamer stuikt hij in elkaar en overlijdt. De familie vraagt toestemming aan de Duitsers om het lichaam naar Kanne over te brengen en verkrijgen deze na veel aandringen. De overdracht vindt plaatst aan de grensovergang in Vroenhoven. Wanneer het lichaam aan de kapel van Kanne aankomt, beginnen de klokken spontaan te luiden.

Afsluiting grens in Kanne
Hier poseren de Duitse soldaten, die de grens tussen Nederland en België afsluiten, voor de fotograaf. Ook een Nederlandse grenssoldaat kijkt toe. © Heemkunde Kanne

De grens zorgt ook voor mogelijkheden. Zeker in Kanne dankzij de aanwezigheid van de mergelgroeven, waarvan ingangen aan beide zijden van de grens liggen. Al in februari 1915 onderzoeken en controleren de Duitsers de grotten uitvoerig. De geruchten gaan namelijk dat deze vaak gebruikt worden door de grensgangers om ongehinderd aan de overkant te komen. De Nederlandse pers bericht hier veelvuldig en uitvoerig over. Natuurlijk trekt dat de aandacht van de Nederlandse en de Duitse autoriteiten.

Een van de bekendste passeurs uit de omgeving is François Jaminet. Hij gidst een duizendtal Belgen en Fransen over de Nederlandse grens, zowel vóór als na de bouw van de elektrische draad. Hij werkt vooral via de Voerstreek maar ook via Kanne. Daar krijgt hij de hulp van herder Jan Meex. Hij komt ook vaak bij Camille Daemen, die op de hoek van de Bovenstraat en de Pruis een café en winkel heeft. De zaak wordt druk bezocht door Duitse soldaten, die er komen drinken en dansen. Op een dag gaat hij er binnen met een grote kruik om petroleum te kopen. Hij doet zich voor als een dommerik en de Duitse soldaten hebben er het grootste plezier in om hem belachelijk te maken. Tijdens zijn ‘activiteiten’ in het café verzamelen de vluchtelingen in het huis van Gaspard Daemen, broer van de caféhouder en koster van de parochie Kanne. "Van daar", vertelt François, "gingen wij door tuinen, over heggen en prikkeldraad en als wij dan een grote gracht overstaken waren wij gered".

In het begin van 1917 laten de Nederlandse Genietroepen de ondergrondse verbindingen door middel van springstoffen ‘springen’. Eén ingang, vlak bij het douanekantoor tussen Sint-Pieter en Klein-Ternaaien, wordt niet opgeblazen, mogelijk omdat deze goed bewaakt kan worden. In het begin van augustus 1917 komt de Duitse General-Gouverneur von Falkenhausen zelf de situatie in ogenschouw nemen. Hij bezoekt de mergelgroeven en blijft er uren in rondlopen. Hij ziet dat de Duitse soldaten in de groeven muren hebben gebouwd om de ondergrondse contacten onmogelijk te maken. Omstreeks 1918 wordt in het grootste geheim het Smokkelgat gegraven om weer een goede verbinding te hebben met het Zuidelijk gangenstelsel.

Huis Daemen Duysens

Café Daemen-Duysens op de hoek van de Bovenstraat en de Pruisstraat, waar François Jaminet de Duitsers te slim af was. © Heemkunde Kanne

3. Boter aan 25 fr de kilo in Gingelom

door Heemkunde Het Drie Swaenenland

Tijdens de oorlog is het leven duur. Dat lezen we in een brief die Maria Elisabeth Goyens schrijft aan haar man Alphonse Versluys. Zij laat hem op 18 augustus 1917 weten dat haar schoonzus uit Berchem naar Montenaken (Gingelom) kwam om voedsel in te slaan:

Verledene zondag is Mathilde en Gabrielle hier geweest tot woensdag zij is gekomen om eten, want daar is het nog erger als hier, de boter staat aan 25 fr de kilo, en hier 7 fr de eieren aan 0,70 centiemen het stuk, het spek aan 25 fr de kilo.

Alphonse is wachtmeester bij de rijkswacht en wordt beroepshalve overgeplaatst van het Oost-Vlaamse Zomergem naar de gendarmerie van Montenaken. Hier leert hij zijn echtgenote kennen. Samen krijgen ze twee zonen. Op 4 augustus 1914 wordt Alphonse onder de wapens geroepen. Op 10 oktober 1914 valt hij in handen van de Duitsers en wordt overgebracht naar het krijgsgevangenkamp van Güstrow. Hier overlijdt hij op 15 augustus 1917 ten gevolge van darmtuberculose. In de briefwisseling met zijn vrouw heeft het over zijn leven in het krijgsgevangenkamp. Het eten in het krijgsgevangenenkamp is niet goed en de krijgsgevangen zijn afhankelijk van de voedselpakketten van het thuisfront.

Alphonse schrijft op 26 januari 1916 het volgende over de voedselsituatie in het kamp:

Den 24 dezer, heb ik uwe twee pakjes gekregen, inhoudende 1 stuk hesp, ‘tweede goede waffels 2 appels ‘k weet van wie ze zijn, dank u goede Tante, den 26 dezer uwe twee pakjes van 21; 1 pot vet, en 1 brood, dank Maria, die twee laatste groote pakken van Luik, een 4 December en ’t ander 11 December heb ik nog niet, en voorzeker is daar tabak in, ‘k zal er zonder zijn, indien die pakken niet weldra aankomen, een weinig geld in ’t kort a.u.b. zal goed doen, want men kan het keeren of draaien, maar wekelijks heeft men een dik mark noodig, wat suiker uit de cantine, zeep wat oneindig duur, nochtans men moet zich, en zijne zaken wasschen, dan aleens wat schrijfgerief, afin ’t is huishouden in armoede.

In dezelfde brief schrijft hij over het ‘kermismaal’ dat hij zelf kon klaarmaken:

Toch heb ik Zondag middag eens een kermismaal gehad, ‘k had me 20 phenning pataten gekocht, ‘k had er tien of elf, ‘k heb die gekookt, en dan twee schellekens spek in fijn stukjes gesneden, dat in een basin wat laten uitbaken, en ’t is waar vergeet iets ‘k had me nog een ajuin gekocht ‘k had die een weinig laten bruineren in dat afgesmolten vet en dan die patatten daarin laten bakken. Afin ’t was kermis voor de maag; In alle geval geen mensch op gansch den aardbodem had zoo een smakkelijk middagmaal gehad.

Alphonse Versluys

Alphonse Versluys poseert met pijp voor de foto. © Heemkunde Het Drie Swaenenland

Wie meer wil weten over deze of andere verhalen uit WOI in Haspengouw kan contact opnemen met Erfgoed Haspengouw (info@erfgoedhaspengouw.be of 011 70 18 30).