Boter bij de vis


Douane in oorlogstijd

Hoewel grenzen bij crisissituaties (internationale spanningen, hongersnood, epidemieën, handelsconflicten …) vaak gesloten werden, is dat een relatief gegeven. Landsgrenzen zijn immers nooit hermetisch af te grendelen. De strook tussen België en Nederland werd zo tijdens WO I het toneel van uiteenlopende types smokkel.

Door Nationaal Museum van Douane en Accijnzen Antwerpen

1. Smokkelwaar

Er was de traditionele smokkel om den brode (levensmiddelen, petroleum e.a. basisbehoeften). Ook omwille van de specifieke oorlogssituatie werden toen levensgevaarlijke smokkeltochten opgezet (militaire inlichtingen, brieven, ongecensureerde kranten, oorlogsvrijwilligers …).

Soms gebeurde dit uit patriotisme, maar veelal ook tegen betaling. Tenslotte aarzelden enkele smokkelaars ook niet om op vraag van de bezetter bepaalde zaken aan te voeren die de Duitsers enkel met hulp van neutrale landen konden bekomen.

BurgemeesterBurgemeester Lodewijk Van Nueten (1847-1926) hield nauwgezet een dagboek bij van het wedervaren in zijn gemeente. Door de unieke grensligging van Meerle – tussen dodendraad en rijksgrens – waren smokkelpraktijken daar bijna dagelijkse kost. © Stedelijk Museum Hoogstraten

“Adriaan Van den Ouland heeft dezen nacht nog 1200 kil maïs in Belgie gesmokkeld. Was betrapt van hollandsche soldaten, maar van 2 ½ gulden liet men hem en zijn volk gaan en hielpen hem nog dragen. Eduard Van Haperen moest te Ulikoten afkijker zijn of de weg veilig was en moest dan teeken doen dat ze uit de heg kwamen, maar de soldaten bleven op post en hij om te schijnen daar te woonen vond een riek en begon maar aan het aardappels uit doen. Hij wist niet van wie. Zoo lang de soldaten weg waren. Toen deed hij teeken en Smits en Verbunt konden passeeren. Omkooperij gebeurd veel. De hollanders verdienen gaarn wat, bijzonder de soldaten van armste klas.”
Dagboek Lodewijk Van Nueten, burgemeester te Meerle, donderdag 23 september 1915.

2. Rust en orde

De rol van de Belgische overheidsdiensten kwam in het bezette landsgedeelte snel onder druk te staan. Bepaalde ministeries werden afgeschaft of overgenomen door de bezetter. Andere – waaronder Financiën en Justitie – werkten door maar werden geleid door Duitsers. De Belgische ambtenaren moesten zelfs een loyaliteitsverklaring ondertekenen. De bezetter richtte een parallelle bestuursstructuur in voor sleutelposities - met o.a. Duitse stationschefs of postmeesters – en er werden Zentralen en Abteilungen opgericht voor toezicht op onder meer personenverkeer, voedselproductie en grote bedrijven.

Er moest “Ruhe und Ordnung” heersen in het kwetsbare hinterland achter hun frontlijn. Tevens moest België zoveel mogelijk worden ingeschakeld in de oorlogsinspanning. Fiscale inkomsten waren trouwens belangrijk voor het inlossen van de zware oorlogsschatting die aan ons land werd opgelegd door het Duitse Keizerrijk.

Paard
Een Duitse militair met paard poseert voor de zogenaamde quarantainestallen te Essen. Dit uitgebreide complex werd vanaf 1896 opgetrokken in de buurt van het station en werd door de lokale douaniers gebruikt bij de uitvoering van bepaalde fytosanitaire maatregelen die geruime tijd van kracht waren in ons land. Ook de Duitsers schijnen deze regelgeving te hebben gevolgd. Het was immers van groot belang om ingevoerde dieren een tijd in afzondering te houden om er zeker van te zijn dat ze geen drager waren van besmettelijke ziektes die een ernstige bedreiging konden vormen voor de eigen veestapel.

3. Uitgerangeerd?

De bezetter nam op de meeste plaatsen - en zeker in het grensgebied - zelf het heft stevig in handen. De rangen van de Belgische douaniers en accijnsambtenaren waren sowieso flink uitgedund omdat heel wat van hen dienden in het Belgische leger. Bovendien moesten de overblijvers zich plooien naar de vele Duitse richtlijnen en werden ze door de bezetter aan de kant geschoven als het hem uitkwam. Er werden door de Duitsers grensversperringen opgericht - o.a. vanaf 1915 de geëlektrificeerde Dodendraad - en duizenden militairen werden belast met de bewaking.

In het binnenland werd de bewegingsvrijheid van de bevolking eveneens erg ingeperkt en waren verordeningen, scherpe controles, huiszoekingen, inbeslagnames, boetes en gevangenisstraf of zelfs deportaties schering en inslag.

RIjkswachtkazerne
Op verschillende plaatsen zochten de Duitsers geschikt onderdak in het grensgebied. Op de foto staat de Rijkswachtkazerne in Meerle (Hoogstraten) die in beslag werd genomen door de aldaar gelegerde Duitse militairen. Menig aangehouden smokkelaar bracht er één of meerdere dagen en nachten door. © Stedelijk Museum Hoogstraten

4. Smokkelwaar voor de bezetter

Door de steeds strengere blokkade van het Duitse Rijk door de geallieerden, waren de Duitsers voor de aanvoer van allerlei producten aangewezen op landen die buiten het conflict bleven. Nederland kwam daarbij als transitland zeker in beeld en moest vaak op het slappe koord van de neutraliteit dansen.

Op vraag van de bezetter werden er ook door Belgische beroepsmokkelaars zeer lucratieve
smokkelactiviteiten opgezet van een ongeziene omvang. Duizenden paarden voor het Duitse leger, vee en levensmiddelen of zelfs grondstoffen voor explosieven kwamen op regelmatige basis de grens over via Nederland. Deze collaborerende smokkelaars werden door de bevolking overigens hartgrondig gehaat.

Na de Wapenstilstand van november 1918 viseerde de bevolking die collaborateurs. Sommige van hen verdwenen met de noorderzon. Ook de Belgische justitie sprak in een aantal gevallen zware straffen uit, tot zelfs de doodstraf bij verstek.

SmokkelDuitse reservisten poseren met enkele burgers bij een grenspaal in de buurt van Stekene.

5. Namaak is van alle tijden

Niet alleen met de hoeveelheid, maar ook met de kwaliteit van de voedingswaren was het tijdens de oorlogsjaren vaak triestig gesteld. Dit had niet alleen te maken met het (bijna) wegvallen van de noodzakelijke invoer en een gebrek aan degelijke grondstoffen (kunstmest, zaaigoed …) en arbeidskrachten, maar ook met de impact van fraude en sluikhandel. De boeren en handelaars konden immers (heel) veel geld verdienen bij verkoop voor de zwarte markt, terwijl hun officiële leveringen vaak van minderwaardige kwaliteit waren.

Bij controles bleek bijvoorbeeld ook dat er door bepaalde bakkers zagemeel in het brood werd verwerkt. Een klassieke manier om te frauderen bij de verkoop van melk is het toevoegen van water. Tijdens de oorlog werd dit fenomeen op vele plaatsen vastgesteld en diende men in te grijpen. Zo werd in augustus 1915 de massale aanlenging van melk aangeklaagd tijdens de gemeenteraad in Turnhout. Er werden strenge controles op de melkverkoop en de woekerhandel geëist en toegezegd. Enkele dagen later werden een aantal sjoemelende boerinnen ontboden op het stadhuis en er werden processen-verbaal opgemaakt.

TurnhoutParade van Duitse militairen op de Grote Markt in Turnhout. Rechts zien we het historische stadhuis waar de fraudeurs tot de orde werden geroepen. © Collectie Stadsarchief-TRAM 41, Turnhout

6. Boontje komt om zijn loontje?

Heel wat landgenoten leden onder vier jaar oorlog en het land kwam zwaar getekend uit de bezetting, maar dat gold niet voor iedereen. Woekeraars,handelaars op de zwarte markt, smokkelaars en vele boeren beleefden gouden tijden. Het was voor hen na de oorlog dan ook een flinke streep door de rekening dat er nationaal een speciale belasting werd uitgevaardigd op oorlogswinsten.