Boter bij de vis


Ons dagelijks brood

Van oudsher is brood één van de meest essentiële voedingsbronnen voor de mens. Het is illustrerend voor de voedselproblematiek van de Eerste Wereldoorlog dat zelfs dit alledaags voedingsmiddel beperkt en meestal in slechte kwaliteit te verkrijgen was gedurende de gehele oorlog.

door Ina Ruckebusch (Bakkerijmuseum Veurne)

1. Wat met ons brood?

Vlak na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, in augustus 1914, kampte ons land al gauw met meeltekorten. Ook de voorraden van andere voedingsmiddelen slonken zienderogen. De Duitse bezetter vorderde alle voorraden op om het eigen leger te kunnen voeden. Daarnaast werd de import naar België geblokkeerd door Groot-Brittannië. Dit was rampzalig, aangezien ons land reeds voor de oorlog afhankelijk was van de import van bepaalde voedingswaren waarvan vooral broodgranen. Zo werd voor de oorlog bijna 80% van alle tarwe ingevoerd. Bijgevolg was er al in het begin van de oorlog bijna geen brood meer te verkrijgen in de Belgische bakkerijen, en geen meel om zelf aan het bakken te slaan.

Om de dreigende voedselschaarste tegen te gaan, werd in het najaar 1914 de Commission for Relief in Belgium ( CRB) opgericht, een internationale hulporganisatie die instond voor de import van voedingswaren, waaronder meel. Daarnaast was er ook een Belgische organisatie, het Nationaal Comité voor Hulp en Voeding (NHVC) die ervoor zorgde dat de voedingsmiddelen werden verdeeld in de noodlijdende Belgische steden en gemeentes. Deze twee organisaties opereerden in bezet België onder het toeziend oog van de Duits bezetter (zie het verhaal Het Nationaal Hulp- en Voedingscomité redt de bevolking).

Leveren van brood
Het leveren van brood aan een lokaal comité © Collectie Amerikaanse ambassade

2. Naar de bakker gaan tijdens de oorlog

Onder de Duitse bezetting werden bijna alle aspecten van het dagelijks leven strikt gereglementeerd. In onze huidige consumptiemaatschappij, waarin een grote keuzevrijheid heerst, is het moeilijk in te beelden dat 100 jaar geleden mensen niet meer konden kiezen welk soort brood men at. Tijdens de vele periodes van grote meelschaarste mocht er enkel ‘zwart’ brood gebakken worden. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld zieke mensen, konden wit brood verkrijgen. Na verloop van tijd was er nauwelijks nog (of geen) wit brood te vinden.

De mensen waren ook niet meer vrij om zelf te bepalen naar welke bakker ze gingen. Vele bakkers waren tijdens de oorlog ingeschreven bij de lokale comités van het NHVC. Iedere ingeschreven bakker moest een lijst aanleggen met klanten. Deze klanten mochten enkel bij die bakker nog brood kopen. De lijsten waren een manier om de bakkers te controleren. De lokale comités bepaalden de hoeveelheid meel dat zij kregen aan de hand hiervan én aan het op dat moment geldende rantsoen. De lokale en provinciale comités van het NHVC controleerden de bakkers op het naleven van deze klantenlijsten.

De bakkers maakten winst op het verschil tussen inkoop- en uiteindelijk verkoopprijs, maar de winstmarge bleef relatief klein. Het is dan ook niet verwonderlijk dat bakkers de prijzen voor hun brood en andere producten regelmatig opdreven, hoe klein de winst ook was.

3. Het broodrantsoen

De bevolking kon niet meer de hoeveelheid brood kopen die ze wou. Al vanaf het begin van de Eerste Wereldoorlog werden brood-en andere rantsoenen ingesteld. De rantsoenen voor eetwaren waren aanvankelijk bedoeld als een bijrantsoen, maar naar mate de oorlog vorderde maakte het brood-en andere voedselrantsoenen de hoofdmaaltijd uit bij quasi alle gelaagdheden van de bevolking.

Wat het broodrantsoen betrof, geven verschillende primaire bronnen aan dat iedere persoon in bezet België recht had op gemiddeld 325 gram brood. Dat rantsoen werd echter nauwelijks gehaald. In werkelijkheid schommelden de rantsoenen heel sterk. In het najaar 1914 was dat nog 250 gram per persoon, in 1917 was dat slechts nog 225 gram. Ter vergelijking: voor de oorlog kon de gemiddelde Belg nog terugvallen op gemiddeld 500 gram brood per dag. In de laatste oorlogsjaren braken periodes uit van grote schaarste, soms was er zelfs geen brood meer te verkrijgen. Bakkers moesten noodgedwongen hun winkels sluiten.

De rantsoenen en prijzen werden om de paar weken opgesteld, dit afhankelijk van de hoeveelheid ingevoerde voedingswaren. De voedselprijzen werden eveneens aan banden gelegd. Die prijzen fluctueerden gedurende de Groote Oorlog enorm. Zo steeg de broodprijs tijdens de oorlogsjaren spectaculair: in 1914 kostte een brood van 800 gram gemiddeld 0,28 frank, in 1918 was dit 0,76 frank. De prijs was maar liefst met meer dan 100% gestegen!

Affiche brood
Tijdens WOI werden bakkers door de CRB en het NHVC gecontroleerd op fraude © Heures de Détresse

De kleine rantsoenen gecombineerd met de hoge prijzen voor basisvoeding zoals brood was een broeihaard voor sociale onrust. Geregeld braken er hongerrellen en betogingen uit. Daarbij was het NHVC vaak het mikpunt van kritiek, dat door de bevolking er regelmatig van verdacht werd (terecht en onterecht) voedsel achter te houden om het door te kunnen verkopen aan woekerprijzen op de zwarte markt die floreerde.

4. Fraude bij bakkers

Ook bakkers kregen het hard te verduren. Tijdens de oorlog doken regelmatig verhalen op van frauduleuze bakkers, die een deel van hun brood verkochten op de zwarte markt. Om de fraude tegen te gaan, werd er binnen het departement ‘Inspectie en controle’ van de CRB een cel opgericht die de taak van het controleren van bakkers op zich nam, de zogenaamde ‘Bakery Control’. Wanneer een bakker ervan verdacht werd fraude te hebben gepleegd, moest hij zich verantwoorden in een zogenaamde ‘Baker’s court, ingericht door de Commission. Zowel een Amerikaanse CRB-afgevaardigde als een NHVC-vertegenwoordiger van een provinciale comité moesten zich vervolgens over de zaak uitspreken. In de praktijk bleek het echter niet eenvoudig om specifieke maatregelen te treffen tegen frauduleuze bakkers.

Controle bakkers
Deze affiche uit 1917 illustreert hoe de broodproductie-en consumptie door de Duitse bezetter heel strikt werd gereguleerd © Bakkerijmuseum Veurne

In zijn memoires War Bread beschreef Edward Hunt een Amerikaanse CRB-vertegenwoordiger een corruptiezaak in Antwerpen. Zijn Belgische collega van het provinciale comité probeerde hem ervan te overtuigen dat de strijd tegen de fraude onbegonnen werk was: alle bakkers deden er aan mee. Er waren bakkers die meer meel vroegen dan dat ze nodig hadden om hun klanten te kunnen voorzien van brood. Sommigen hadden hun klantenlijsten aangevuld met vluchtelingen die in Holland of Engeland verbleven of met fictieve personen! Het overschot van meel konden ze op de zwarte markt aan een hogere prijs doorverkopen. Om deze manier van fraude aan te pakken, hadden de CRB-medewerkers een systeem uitgedokterd. Ze verdeelden het aantal inwoners over grote en kleine bakkers en maakten zo een schatting van de hoeveelheid meel een bakker in Antwerpen nodig had. Edward Hunt uit zich verder in zijn boek heel diplomatisch, door te stellen dat fraude plegen niet in de Vlaamse volksaard ligt, maar dat dit alles in zijn (oorlogs)context moest gezien worden: de concurrentie was moordend, de winstmarges lagen zeer laag en de consumenten werden steeds minder koopkrachtig.

5. Over broodvervalsching en paardenbrood

Naast corruptie onder de bakkers doken ook berichten op in kranten, dagboeken en brieven over broodfraude. Gedurende de hele oorlog werden bakkers ervan verdacht zaagsel, aardappelschillen en andere minderwaardige bestanddelen onder het meel te vermengen. Dit gebeurde in werkelijkheid ook regelmatig.

Tarwe was bijvoorbeeld tijdens de oorlog met periodes niet beschikbaar of te duur. Daarom gebruikten bakkers meel afkomstig van allerlei graansoorten, bv. de ‘Amerikaanse’ granen(soorten) zoals grits en cérealine, maar ook minderwaardige granen zoals haver en maïs die voordien enkel dienden als veevoeder. Vandaar dat het brood in de volksmond ook wel ‘paardenbrood’ genoemd werd.

De bakkers vervaardigden gedurende de gehele oorlog hun brood niet meer met enkel zuiver meel. Hoe langer hoe meer sprongen bakkers (net zoals de mensen thuis) creatief om met het gewone meel door het aan te lengen of zelfs helemaal te vervangen met allerlei surrogaten. In de meeste oorlogsrecepten werd het meel vaak met aardappelzetmeel aangevuld of zelfs volledig vervangen. Dit had vanzelfsprekend een grote invloed op het broodkwaliteit: het brood brokkelde af, de korst liet vaak los en het brood zelf bedierf heel snel. In heel wat oorlogsdagboeken zijn er klachten terug te vinden over de ondermaatse kwaliteit van het brood. In in Oorlogsnood, het oorlogsdagboek van Virginie Loveling, worden hele passages gewijd aan het slecht brood: “Het brood is ongenietbaar: bruin, nattig, een mengsel - zegt men - van aardappelschillen, aardappelbloem, boonenmeel en - dit laatste voeg ik er moedwillig bij - van pleister en een beetje zand, ten behoeve van 't gewicht.” (1916).

Toen zelfs het aardappelmeel schaars werd, probeerde men te bakken met meel van gedroogde peulvruchten, wortelen… Alles wat voorhanden was, gebruikte men. In deze context was het dan ook moeilijk voor de bakkers om steeds een goed eindproduct af te leveren.

Op het platteland was de situatie iets beter voor de broodconsument. De schaarste in grondstoffen liet zich hier minder snel voelen dan in de dichtbevolkte steden. In landelijke gebieden werd brood vaak thuis (op de boerderij) of in een gemeenschappelijke oven gebakken. Dat was in de oorlog niet anders. Op het platteland kon de plaatselijke bevolking daarvoor bij het lokale comité meel verkrijgen. Behalve de landbouwers, moest de lokale bevolking bij periodes van schaarste toch ook zeer creatief omspringen met de eetwaren die voorhanden waren.

meisje met brood
Oorlogskindje met een homp brood © War Bread

Algemeen beschouwd werd het normale peil van de voedsel-en broodconsumptie van voor de oorlog nooit bereikt, ondanks de aanvoer van voedingsmiddelen en de georganiseerde verdeling ervan. Integendeel, de totale import van de vier oorlogsjaren samen (tussen de 4-5 miljoen ton) komt ongeveer overeen met de jaarlijkse invoer in 1913 (zie ook het verhaal Honger tijdens 1914-1918).

6. Beknopte bibliografie

  • De Keyzer, D., Nieuwe meesters, Magere tijden. Eten & Drinken tijdens de Eerste Wereldoorlog, Van Halewyck, Leuven, 2013.
  • Demasure, B., Boter bij de vis. Landbouw en voeding tijdens de Eerste Wereldoorlog, Leuven, 2014.
  • Scholliers P., ‘Oorlog en voeding: de invloed van de Eerste Wereldoorlog op het Belgische voedingspatroon, 1890-1940’, in: Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 11 (1985), p. 30-50.
  • Ruckebusch I., ‘Belgische voedselschaarste en Amerikaanse voedselhulp tijdens WOI’, in: Patakon. Tijdschrift over bakerfgoed, 1 (2014), p. 7-31.
  • S.n., Documentatiemap ‘Oorlogsrecepten ‘14-’18’, kenniscentrum Bakkerijmuseum.