Boter bij de vis


Landbouw tijdens de Groote Oorlog

Tijdens de inval van Duitsland in augustus 1914 viel het openbare leven grotendeels stil. Op het vlak van voedselbevoorrading rezen onmiddellijk grote problemen. Door de vlucht van het ministerie van Landbouw naar Frankrijk namen nieuw opgerichte private organisaties de controle over landbouwproductie en voedselhulp in handen. Enkel de Belgische Boerenbond speelde nog een rol van betekenis in bezet België. Duitsland wentelde de oorlogskosten zoveel mogelijk op België af. Om het Duitse leger te voeden, werd elke boer het slachtoffer van opeisingen. Zowel vee, graan, groenten als veevoeder en meststoffen werden opgeëist. Een deel daarvan werd trouwens naar Duitsland gevoerd, tegen alle afspraken in. Buitenlandse import van grondstoffen was niet meer dan een druppel op een hete plaat. Onder moeilijke omstandigheden slaagden de boeren er toch in om gewassen te telen en vee te houden. Door de schaarste nam de vraag naar levensmiddelen enorm toe waardoor ook de prijzen sterk stegen. Dat de boer daarvan een graantje meepikte werd niet door iedereen geapprecieerd. Tijdens de oorlog nam het gemeenschappelijk kapitaal van de boeren desalniettemin enorm toe.

door Brecht Demasure (CAG)

1. De verschillende spelers

In 1914 had België een hoogwaardige landbouw. De oppervlakterendementen en de veebezetting per oppervlakte-eenheid behoorden tot de hoogste van Europa. Door de keuze voor vrijhandel was een autarkische voedselvoorziening bewust niet meer mogelijk. Alleen voor aardappelen, margarine, suiker, groenten en fruit voorzag het land nog in de eigen behoeften. Voor eieren, boter, kaas, vlees en vis was de handelsbalans negatief maar niet alarmerend. De rundveestapel werd op peil gehouden door import van kalveren uit Nederland. Het beleid vergrootte de buitenlandse afhankelijkheid inzake granen in de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog. Broodgranen werden voor bijna driekwart uit het buitenland ingevoerd. De Belgische landbouw was bovendien afhankelijk van ingevoerde meststoffen, veevoeders, zaden en pootgoed. De situatie was bij de inval dus verre van rooskleurig. Het landbouwbeleid na 4 augustus 1914 was gericht op overleven. Door de vlucht van de regering naar Frankrijk lag de werking van het ministerie van Landbouw nagenoeg volledig stil. Het landbouwonderwijs schortte tijdelijk haar activiteiten op.

Na de Duitse inval vluchtte de Belgische regering naar Le Havre. De Duitsers installeerden officieel een bezettingsregime onder leiding van generaal-gouverneur Ferdinand von Bissing. Gebieden die dichter bij het front lagen, waren Etappengebied die onder een militaire autoriteit stonden. Het generaal-gouvernement bestond uit een militaire administratie die instond voor veiligheid, leger, bezetting, politie… en uit een burgerlijke administratie. België werd een wingewest voor het Duitse leger en draaide op voor de bezettingskosten. Alle strategische grondstoffen zoals papier en benzine maar ook landbouwproducten als aardappelen, tarwe, groenten, fruit en bier werden vanaf 1915 onder toezicht geplaatst van Duitse Zentrales. Die centrales dienden officieel om de verdeling van het voedsel over het bezette land te regelen, maar in de praktijk sluisden ze via deze weg een deel van de Belgische producten naar Duitsland.

Begin oktober 1914 was er nog voor vier dagen meel in bezet België. Er was dringend hulp nodig om de dreigende voedselcrisis te voorkomen. Bankier Emile Francqui en grootindustrieel Ernest Solvay hadden kort na de inval een Brussels Comité voor Hulp en Voeding opgericht. Dat iniatief werd uitgebreid naar heel het land. Op 29 oktober 1914 werd het Nationaal Hulp- en Voedingscomité (NHVC) opgericht met vertegenwoordigers van elke provincie. Het Nationaal Hulp- en Voedingscomité nam de verdeling van voedselvoorraden voor haar rekening. Voor de aanvoer van deze voorraden en voor het afdwingen van Duitse garanties was een neutrale partner noodzakelijk. Spanje, de Verenigde Staten en vanaf 1915 ook Nederland namen deze taak op zich. De voedselvoorraden zelf werden in het buitenland verzameld door de Commission for Relief in Belgium (CRB). Via het NHVC werd in totaal, verspreid over de vier jaar, 4,8 miljoen ton goederen aangevoerd en verdeeld voor een bedrag van meer dan vier miljard Belgische Frank. Deze invoer bedroeg toch slechts één vierde van het normale niveau zodat het probleem van schaarste en woekerprijzen bleef bestaan.

MeeltransportHet meeltransport in bezet België stond onder toezicht van het NHVC

De binnenlandse landbouw speelde een rol in een mogelijke oplossing van de voedselproblematiek. Reeds in oktober 1914 richtte Emile Tibbaut, volksvertegenwoordiger en lid van de Hoge Landbouwraad, de Landbouwsectie op. Dit Comité fungeerde als officieuze plaatsvervanger van de officiële landbouwinstanties zoals het ministerie, landbouwcomices… die wegens de oorlog hun normale activiteiten noodgedwongen staakten. Het doel van de Landbouwsectie was de landbouw op alle mogelijke vlakken te ondersteunen en het naoorlogse herstel voor te bereiden. De organisatie stimuleerde landbouwinitiatieven door middel van raadgevingen en subsidies. De Landbouwsectie verdeelde eveneens veevoeder, meststoffen en andere landbouwbenodigheden die uit het buitenland door de CRB werden aangevoerd. Ze was net zoals het NHVC hiërarchisch gestructureerd.

Veel landbouworganisaties kregen het moeilijk tijdens de oorlog. De Belgische Boerenbond, de grootste landbouwvereniging voor de oorlog, moest haar activiteiten stopzetten of beperken tijdens de jaren 1914-1918. De Boerenbond fungeerde aanvankelijk als aankoopcoöperatie van het NHVC voor de aanschaf van veevoeder. De lokale afdelingen van de Boerenbond kenden een moeilijke periode: de leden gingen naar het front, de werking viel stil en velen sloten zich aan bij lokale landbouwsecties. Het ledenblad ‘De Boer’ verscheen niet, zodat communicatie vanuit Leuven zeer moeilijk was. Het hoofdbestuur in Leuven stelde alles in het werk om het imago van de boeren te beschermen. De publieke opinie had immers harde kritiek op de boerenstand en haar woekerpraktijken. De Boerenbond riep voortdurend op om geen rijkdom te vergaren op de kap van medeburgers. In de praktijk liep het wel eens anders.

2. Opeisingen schaadden de landbouw

Opeisingen van rundvee en andere levensmiddelen werden verantwoord als noodzakelijk voor de bevoorrading van het Duitse leger. De Tweede Conventie van Den Haag uit 1907 schepte daartoe het wettelijke kader. De conventie bepaalde dat opeisingen van goederen of diensten van de lokale bevolking enkel mochten indien ze nodig waren voor de noden van het bezettingsleger. In de mate van het mogelijke moesten de vergoedingen contant worden betaald (anders via ontvangstbewijs). De Duitse bezetter volgde slechts in beperkte mate deze overeenkomst. De Britten dreigden daarom in 1915 het CRB en NHVC niet langer te bevoorraden als de Duitsers grote delen van de Belgische landbouwoogst bleven opeisen. In 1916 kwam er een conventie tussen Groot-Brittannië, het CRB en het generaal-gouvernement die bepaalde dat Duitsland geen ingevoerde producten bestemd voor het NHVC mocht opeisen. Onder het mom van ‘lopende contracten’ via Belgische handelaars gingen de opvorderingen toch voort. Voor groenten, paarden en kunstmeststoffen veranderde er niets aangezien Duitsland argumenteerde dat deze producten reeds voor de oorlog naar Duitsland werden geëxporteerd (en dat oorlog daar niets aan veranderde). De conventie van 1916 gold enkel voor het generaal-gouvernement en niet voor het etappengebied waar de landbouw het nog moeilijker had.

De opeisingen van vee en paarden lagen moeilijk bij de Belgische bevolking. De boeren wensten hun waardevolle vee niet te verkopen aangezien melk, eieren, vlees en boter schaarse en dure producten waren. De opgeëiste runderen en varkens waren bestemd voor de bevoorrading van het Duitse leger. De opeising van paarden veroorzaakte veel meer kritiek. Heel wat opgeëiste paarden werden immers niet ingezet in het leger maar in Duitsland verkocht als fokdieren. De schattingen over het totaal aantal opgeëiste dieren lopen uiteen. Sommigen meenden dat er tussen 1914 en 1918 naar schatting 560.000 runderen, 250.000 varkens, 35.000 schapen en geiten, 92.000 paarden en 1.690.000 stuk pluimvee werden opgeëist, terwijl anderen cijfers dubbel zo groot gaven. In West-Vlaanderen overleefde slechts één derde van het rundvee de oorlog. Ook de rest van het Etappengebied in Oost-Vlaanderen en Henegouwen was ernstig getroffen. Toen het einde van de oorlog naderde, trokken de Duitsers zich massaal terug en namen opnieuw veel dieren met zich mee. Deze geraakten verspreid over het hele land.

De bezetter slachtte gretig Belgische varkensDe bezetter slachtte gretig Belgische varkens © Verzameling Theo Broers

Het tekort aan veevoeder tijdens de oorlog had verscheidene oorzaken. Enerzijds werden voedergewassen zoals maïs, aardappelen en suikerbieten nu uitsluitend of in grote mate voor menselijke consumptie bestemd. Anderzijds kende het land ook een verminderde import van zaaigoed en meststoffen waardoor de veevoederproductie fel werd bemoeilijkt. Voor de oorlog bestond de helft van het beschikbare landbouwareaal uit weiden en akkers bestemd voor de productie van veevoeder. Tijdens de oorlog werden veel weiden omgeploegd tot akkers bestemd voor graanproductie. Er waren strikte reglementen hoeveel voeder elk dier kreeg, naargelang het werk dat het dier verrichtte. In de loop van de oorlog werden de porties steeds kleiner. Door het stilvallen van de import bleef België ook verstoken van meststoffen. De bezetter had een groot deel van alle binnenlandse mest opgeëist en door het stilvallen van de Belgische chemische industrie waren ook een heleboel kunstmeststoffen niet meer voorhanden. De landbouw werd plotsklaps van bovenaf geleid. De verordeningen van de bezetter wijzigden grondig de teelt van gewassen en samenstelling van het vee.

3. Boeren en bevolking tijdens de oorlog

Door de vele opeisingen en het gebrek aan grondstoffen daalde het voedselaanbod. Prijzen schoten pijlsnel de hoogte in. Ondanks de instelling van maximumprijzen door het Duitse bewind floreerde de zwarte markt als nooit tevoren. Vooral rijke burgers waren bereid om soms tot het tienvoudige te betalen. Eieren werden soms verkocht vooraleer ze gelegd waren. Broodgranen, aardappelen en boter waren erg gegeerd. Vandaar dat het imago van de boer tijdens de oorlog niet zo positief was. Ook handelaars, winkeliers en foeriers hadden een negatief imago. Elke dag had de - al dan niet clandestiene - pers wel een verhaal klaar om de woekerpraktijken van de boeren aan te klagen. Sommige historici zagen hierin een plan van de Duitsers om tweedracht te zaaien in het land. Het klopt dat sommigen niet correct handelden. Maar in elke samenleving, bij iedere crisis profiteren mensen van de situatie. Een groot aantal landbouwers toonde zich barmhartig en medelevend en koos ervoor om het lot van de landgenoten te laten primeren op geldgewin. Na de oorlog deed de Belgische Boerenbond trouwens veel moeite om de perceptie ten opzichte van de boeren te verbeteren. Wekelijks verschenen in ‘De Boer’ verdedigende artikels.

Hoewel de landbouw het zeer moeilijk had, slaagden de boeren er paradoxaal genoeg in om hun gemeenschappelijk kapitaal te vergroten. Met een boutade wordt de landbouw tijdens WOI wel eens getypeerd als “arme landbouw, maar rijke boeren”. De spaar- en leenkassen aangesloten bij de Middenkredietkas van de Belgische Boerenbond zagen het saldo van hun spaargelden aangroeien van 33,8 miljoen in 1914 tot 190,4 miljoen in 1918! Meer dan tienduizend nieuwe spaarders sloten zich aan. De belangrijkste redenen voor de stijging was de inbreng van nieuwe spaarkassen, het uitblijven van investeringen, een rente van 3 % (andere banken verlaagden tot 1,5 %), de hoge landbouwprijzen en de sterke inflatie. De jaren 1920 waren mede hierdoor gunstige jaren voor de Belgische landbouw. Investeringen in machines, aankoop van gronden en uitbreiding van het bedrijf lagen in het bereik van steeds meer boeren. Daardoor verliep het herstel vlot, met uitzondering van de zwaar getroffen Westhoek.

Op deze cartoon pronkt een boerin met haar mooie kleren
Door de woekerwinsten lieten sommige boeren het breed hangen © In Flanders Fields Museum

4. Beknopte bibliografie

  • De Lannoy, C., L’alimentation de la Belgique par le comité national, novembre 1914 à novembre 1918, Brussel, 1922.
  • De Schaepdrijver, S., De Groote Oorlog. Het koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog, Antwerpen, 1997.
  • Henry, A., L’agriculture belge et la guerre (La renaissance économique de la Belgique, 8), Brussel, 1918.
  • Henry, A., L’Oeuvre du Comité National de Secours et d’Alimentation pendant la guerre, Brussel, 1920.
  • Martens, L., De veestapel onder schot. De invloed van de Eerste Wereldoorlog op de Belgische veeteelt, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, KU Leuven, subfaculteit Geschiedenis, 2011.
  • Rapport spécial sur le fonctionnement et les opérations de la Section agricole du Comité National de Secours et d’Alimentation. 1914-1918, Brussel, 1920.
  • Sebrechts, J., Geschiedenis van den landbouw in België vóór, tijdens en na den oorlog, s.l., 1923.
  • Van Molle, L., Ieder voor allen. De Belgische Boerenbond 1890-1990, Leuven, 1990.