Boter bij de vis


Het belang van boter

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog was boter reeds een gegeerd product. Het was een belangrijke vetstof voor het bakken en braden van ingrediënten. Tot in de negentiende eeuw werd zuivel in West-Europa vooral beschouwd als een bijproduct van de veeteelt. De boterproductie verliep volledig handmatig tot de jaren 1870. De uitvinding van de melkcentrifuge opende de weg naar de industriële productie van boter. In de jaren 1910 waren er twee sporen: de thuisverwerking van gekarnde room tot boter en de industriële verwerking in melkerijen .

Door Brecht Demasure

1. Officiële circuit

Sinds de bezetting van België in 1914 hadden de Duitsers een officieel prijsniveau voor tal van producten ingesteld. Boter was samen met spek en reuzel één van de meest gevraagde producten door de bezetter. Hetzelfde gold voor margarine dat beschouwd werd als ‘boter van de arme mensen’. Het wegvallen van de import van boter, margarine en (smeer)vet en de opeisingen en inbeslagnames door de Duitse troepen deden de officiële prijs stijgen. Hoewel de boterprijzen aanvankelijk niet zo gunstig waren voor de veehouders, stegen de prijzen snel vanaf 1915. Een verordening van 30 november 1915 legde de boterprijs vast op 5 frank per kilogram, indien de boter maximaal 18% water bevatte. Boter die een hoger percentage water bevatte, kostte 3 frank per kilogram. Gezouten boter schommelde tussen 2,8 frank en 4,8 frank per kilogram. Afhankelijk voor wie de boter bestemd was, mochten de boterproducenten wat extra geld vragen. Dit diende grotendeels om de transportkosten te dekken.

Voor de oorlog was kwaliteit een belangrijke troef van de melkerijen. Tijdens de bezetting nam de melkkwaliteit echter snel af. Boter werd bovendien snel gerantsoeneerd. De boterverkoop op de zwarte markt was een lucratieve zaak. De melkerijen moesten immers verkopen tegen officiële prijzen. Ook al waren die prijzen niet zo laag, ze wogen helemaal niet op tegen de prijs die de veeteler en vooral de boterhandelaar kon vragen op de zwarte markt. De veeteler kon zich gemakkelijk onttrekken aan de officiële prijsregelingen omdat een afzonderlijke controle bij elke veehouder moeilijker was dan in de melkerijen. Veel melkveehouders verlieten dan ook de coöperatieve zuivelfabriek en startten thuis met (clandestiene) boterproductie. De fabrikanten van manuele afromers leverden daarenboven tegen bijzonder gunstige voorwaarden toestellen op de hoeve af.

De behoefte aan melk en boter was groot. De hoeves werden druk bezocht door de bevolking die op zoek was naar vetstof. Ook smokkelaars en opkopers waren in de zuivelproducten geïnteresseerd. De kleine volumes waren gemakkelijk te smokkelen.

Handelaars
Het verwerken van melk tot boter gebeurde in toenemende mate op de boerderij tijdens de oorlog. In de melkerijen was er teveel Duits toezicht. © Stadsarchief Eeklo - Meer info

2. Prijsrellen

De hoge boterprijs veroorzaakte veel ophef. Door de hoge prijs werd op bepaalde markten in 1915 amper nog boter verkocht. Woedende huisvrouwen dwongen de boterhandelaars om hun producten goedkoper te verkopen. De etalages van verkopers die dat weigerden, werden soms vernield en af en toe was er zelfs fysieke agressie tegenover de verkoper. In het Luikse trokken groepjes arbeiders rond die boerderijen zonder toestemming binnen gingen. Een boterprijs van meer dan 5 frank per kilogram vonden ze veel te hoog. Alle hoeken en kanten van de boerderij werden afgezocht naar boter. Soms werden de boeren verplicht een document te ondertekenen zodat ze zich aan de maximumprijzen hielden. Na de verordening van 30 november 1915 inzake de boterprijzen, verschenen landbouwers niet meer op de markt. Nog meer dan vroeger overspoelde boter de zwarte markt.

Het is niet eenvoudig om een genuanceerd beeld van de boer weer geven. Veel bronnen uit deze periode beschrijven de landbouwer als een woekeraar en graaier. Het spreekt voor zich dat dit beeld niet klopt. Ongetwijfeld waren er ook boeren die zich aan de maximumprijzen hielden en een geste deden voor vrienden en familie. Maar veel bronnenmateriaal is hierover niet te vinden.

Boterkaart
Wie boter wenste via het officiële circuit, moest de hele oorlog lang beroep doen op dergelijke boterkaarten. De boterverdeling was doorgaans gerantsoeneerd via het Nationaal Hulp- en Voedingscomité. © CegeSoma - Meer info

3. De Duitse greep op botermarkt

In februari 1916 maakte Generaal-Gouverneur Moritz von Bissing een nieuwe verordening bekend inzake de boterproductie. De prijzen werden aangepast van 5 tot 6,5 frank voor boter van eerste kwaliteit. Boter met een hoog waterpercentage mocht maximaal 4 frank per kilogram kosten. Om een einde te maken aan de handel op de zwarte markt mochten enkel handelaars boter verhandelen als zij actief waren vóór 1 augustus 1914 én een patent betaalden. Voor elk botertransport was er toestemming van de bezetter nodig.

De Duitse voorschriften waren heel gedetailleerd. Verkopers waren verplicht de prijs van de boter goed zichtbaar aan te brengen. Een rondtrekkende handelaar was verplicht om de boterprijs aan de zijkant van zijn steekkar of wagen aan te brengen. De verkoper mocht geen andere prijs vragen dan aangeduid en mocht de klant niet verplichten om andere producten te kopen. Boter verdween evenwel hoe langer hoe meer uit het handelscircuit en werd onder de toonbank verkocht zonder rekening te houden met de Duitse voorschriften. Bovendien werd veel boter opgekocht door zeepfabrikanten die de vetstof als grondstof gebruikten.

Omdat er veel productieplaatsen waren en kwaliteitscontroles ontbraken (die voor de oorlog wél al bestonden), varieerde de boter sterk in kwaliteit. Verkopers vermengden bovendien soms goede boter met slechte (oude) boter, met margarine of met water (wat het meest voorkwam). Ze verkochten dit dan als één product.

SmokkelDuitse soldaten controleerden vaak op het smokkelen van boter. © Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis

4. Bond der Boterhandelaars en Botervoortbrengers

Door de veranderlijke boterkwaliteit en het grote aantal botermakers zag de Duitse administratie geen andere mogelijkheid dan de handel en consumptie van boter nauwgezet te reglementeren. De verordening van 26 juli 1916 stipuleerde de oprichting van de Buttervertriebsverband ofwel de Bond der Boterhandelaars en Botervoortbrengers. Deze verkoopsorganisatie kreeg het monopolie op de boterhandel in het Generaal-Gouvernement en was samengesteld uit Belgen. Voor veel landgenoten was het de enige mogelijkheid om een stukje boter te bekomen. De samenwerking of collaboratie van de Belgen met de bezetter versterkte echter de landbouw- en voedselpolitiek die de Duitsers hanteerden in het bezette gebied. De bevolking op het platteland geraakte aan wat boter via de omliggende boerderijen. De inwoners van steden en industriële agglomeraties hadden in veel beperktere mate toegang tot boter. Ze betaalden exorbitante prijzen die opliepen tot twintig keer de normale prijs.

Dankzij de Bond der Boterhandelaars en Botervoortbrengers kregen de Duitsers boter aan de officiële prijzen. De bezetter verplichtte de landbouwers om dezelfde hoeveelheid boter te produceren zoals ze dat gewoon waren. Het was verboden om melkkoeien te slachten, kaas te maken uit volle melk en niet-ontroomde melk aan kalveren te geven. In het najaar van 1916 liepen de prijzen verder op. Voor niet-gezouten boter werd de maximumprijs op 6,5 frank per kilogram vastgelegd, voor gezouten boter was dat 3,2 frank per kilogram en voor boter van de hoogste kwaliteit lag de lat op 7 frank per kilogram. Groothandelaars mochten 25 centiem per kilogram extra aanrekenen, detailhandelaars 40 centiem per kilogram. Boter dat vervoerd werd via de buurtspoorwegen of door de bevolking meegedragen werd, sloegen de Duitsers meteen aan.

Ondanks de maatregelen van de bezetter bleven de boterprijzen stijgen. Door de geringe hoeveelheid boter die melkerijen ter beschikking wilden stellen, stierf de Bond der Boterhandelaars een vroege dood. Vanaf de tweede helft van de oorlog was het Generaal-Gouvernement genoodzaakt om de boterprijzen verder te verhogen. De officiële boterprijs per kilogram steeg verder tot 7,7 frank in november 1917 en zelfs tot 10,25 frank in september 1918. Op de zwarte markt lagen de prijzen veel hoger. In de winter van 1916-1917 bedroeg de boterprijs in Brussel minstens 16 tot 18 frank per kilogram. In 1917 en 1918 bereikte de boter een astronomisch bedrag van 30 tot 40 frank per kilogram. Het extreem reglementeren van de Duitsers was geen succes. Pas na de oorlog stabiliseerden de boterprijzen.

Bond der Boterhandelaars
De Bond der Boterhandelaars en Botervoortbrengers was een vruchteloze poging van de Duitse bezetter om de clandestiene boterhandel aan banden te leggen. © CegeSoma - Meer info

5. Bibliografie

  • De Baere J., Een eeuw Belgische zuivelgeschiedenis, Leuven, 1971.
  • Demasure B., Boter bij de vis. Landbouw en voeding tijdens de Eerste Wereldoorlog, Leuven, 2014.
  • Devolder K., Inventaris van het archief van de Bond der boterhandelaars en botervoortbrengers van Brabant, erkende beroepsvereniging (1916-1919) (Algemeen Rijksarchief, Toegangen in beperkte oplage, 577), Brussel, 2004.
  • Niesten E., Raymaekers J. en Segers Y., Vrijwaar u van namaaksels! De Belgische zuivel in de voorbije twee eeuwen (CAG Cahier, 2), Leuven, 2002.
  • Van Der Hallen P., Industrial dynamics in the food industry (1890-1940) in an era of technological transition, Ongepubliceerd doctoraatsproefschrift, KU Leuven, Faculteit Letteren, Subfaculteit Geschiedenis, 2011.