Boter bij de vis


Bier en hop achter het front

Rond 1900 kende de hopteelt in België haar hoogtepunt in de regio’s Aalst en Poperinge. Tijdens de Eerste Wereldoorlog ging het aantal hectare en de hoeveelheid geteelde hop sterk achteruit, ook in Poperinge. De stad maakte deel uit van het kleine stukje onbezet België. Weg van het krijgsrumoer van de Ieperse frontstreek, groeide de stad uit tot het zenuwcentrum van de Britse sector.

Door Hopmuseum Poperinge

1. Hopteelt

De teelt leed sterk onder de oorlogssituatie ook al bleef Poperinge de hele tijd onbezet. Er was een tekort aan materiaal (ijzerdraad, hopstaken) om de velden te onderhouden. Hoppalen werden opgevorderd voor de aanleg van wegen of verdedigingswerken. Landbouwgronden leden oorlogsschade door zwaar transport, ze werden ingepalmd voor het optrekken van tijdelijke woningen en veldhospitalen of ze leden onder de onderwaterzetting. Sommige boeren rooiden hun hopvelden of verruilden hun landbouwactiviteit voor andere, meer lucratieve inkomensbronnen uit diverse vormen van ontspanning voor de soldaten.

Hopteelt
Militairen oefenen nabij een hopveld © Collectie Hopmuseum

2. Plukkende soldaten

Hoptelers hadden het moeilijk om plukkers te vinden voor de oogst. Zo geraakten de plukkers uit het bezette gebied niet in Poperinge zodat niet alle hop kon geoogst worden. En plukkers uit onbezet gebied gaven vaak de voorkeur aan het beter betaalde werk voor het Engelse leger. Ook waren er Poperingse hopboeren die weigerden om Engelse soldaten aan te nemen voor hulp bij het landbouwwerk of tijdens de pluk. Belgische soldaten werden daarom op bepaalde ogenblikken vrijgesteld van hun dienst om hop te plukken in de regio Poperinge.

Plukkende soldaten
Soldaten pauzeren tijdens de pluk © Collection University of Victoria

“Begin september begint de ‘Hommelpluk’. Een dertigtal Britse soldaten en zelfs officieren helpen plukken, uiteraard tegen betaling in bier. Er zijn er zelfs die dat zeer goed doen, en er prat op gaan dat zij uit die streken van Engeland komen waar eveneens hoppe wordt gekweekt.”

Uit de cijfergegevens over het hopareaal en de récoltes (oogsten) blijkt dat tijdens de Eerste Wereldoorlog geen tekort aan hop was. De opbrengst lag wel lager, maar door de omstandigheden zat Poperinge met een overschot. Het was tijdens de oorlogsperiode immers niet mogelijk om hop uit te voeren naar Frankrijk, Duitsland en Engeland. De export was verboden door de overheid omdat men tekorten vreesde. Wat later ongegrond bleek. Door het aanpassen van het brouwrecept waren bovendien minder grondstoffen nodig. De prijs die hophandelaren kregen, lag bijgevolg laag.

3. Brouwers in Poperinge

In het onbezette België werden de brouwerijen niet door de Duitsers ontmanteld en bleven ze grotendeels gespaard van het oorlogsgeweld. Voor de Britten was Poperinge de plaats waar de soldaten op verlof kwamen. Hoewel ze meestal sliepen in kampementen net buiten de stad zoals die van Krombeke, Proven en Reningelst, speelde hun uitgaansleven zich in de straten van Poperinge af. Door de aanwezigheid van duizenden soldaten kwamen er heel wat ontspanningsmogelijkheden. Soldaten vertoefden graag in de vele cafés, bordelen, cinema’s, concertzalen, clubs en andere oorden van entertainment. Daar nuttigden ze een biertje of ander geestrijk vocht.

De stad werd overspoeld door deze soldaten en vluchtelingen terwijl het aantal brouwerijen hetzelfde bleef. Er moest dus veel meer bier geproduceerd worden. Ook na het einde van de oorlog bleven de brouwers uit het onbezette landsgedeelte gouden zaken doen. De heropbouw lokte veel werkkrachten naar de streek, wat er opnieuw voor zorgde dat er veel bier gedronken en gebrouwen werd. Poperinge telde tijdens de oorlogsjaren 31 brouwerijen, vandaag zijn dat er slechts 3. Deze cijfers benaderen het landelijk gemiddelde [1910: 3244 brouwerijen, 2010: ± 300].

Groep soldaten op vertier
Tijdens hun verlof gingen soldaten bij familie of vrienden om een feestje te bouwen. Hier zaten ze samen op de koer. © Collectie WESTHOEK verbeeldt

4. Brouwvoorschriften

Dat de brouwomstandigheden niet optimaal waren, blijkt uit de wetten uit die tijd.
Op 26 mei 1916 vaardigde de militair gouverneur en generaal-majoor Alexander Andringa een militair besluit uit, genaamd “Règlement sur les brasseries de Belgique non evahie”. Hierin staan voorzorgsmaatregelen beschreven die brouwerijen moeten nemen.

Een selectie uit dit reglement:
  • verplicht om kelders minstens één keer per maand te witten;
  • verboden om mesthopen op de binnenplaats van de brouwerij te laten liggen;
  • in koelplaatsen moeten de openingen voorzien zijn van voorzetramen om vliegen te vermijden;
  • alle brouwmaterialen moeten geborsteld worden en gespoeld met kokend water;
  • kledij en handen van personeelsleden moesten in staat van absolute netheid zijn;
  • voor het brouwen mag enkel drinkbaar en zuiver water gebruikt worden;
  • er mag ’s nachts niet gebrouwen worden.

De Poperingse brouwers ondervonden tijdens de oorlogsjaren problemen om te brouwen doordat het water van de Vleterbeek vervuild was. Dit kwam doordat de Engelsen stroomopwaarts een wasplaats hadden geïnstalleerd. Dit gaf aanleiding tot diverse schriftelijke klachten van de brouwers en leidde zelfs tot een schadeclaim door brouwer Lahaye van brouwerij ‘t Zwijnland.

Geruchten deden de ronde dat wasbeurten voor soldaten ook in brouwerskuipen werden georganiseerd, en dat er de dag nadien gewoon weer werd gebrouwen. Door de opgelegde hygiënenormen lijkt het onwaarschijnlijk dat er werkelijk gebaad werd in bierkuipen. Vermoedelijk werd wel de infrastructuur van de brouwerijen gebruikt.

5. Biersoorten

In heel België, zowel bezet als onbezet, ging de productie van bier sterk omhoog tijdens de Eerste Wereldoorlog. Brouwers in het onbezet landsgedeelte hadden het makkelijker om te brouwen. De bezette brouwers brouwden vooral bieren in opdracht en onder streng toezicht van de Duitsers.

De oorzaak van de stijging van het bierverbruik was, naast de komst van vele vreemde soldaten, ook het resultaat van het offensief van de overheid tegen sterke drank. Vroeger werd bier meer gedronken als dorstlesser, toen waren frisdranken nog niet zo ingeburgerd als nu. Bier was ook ‘gezonder’ dan water omdat door het kookproces de meeste bacteriën uit het water verdwenen.

De productie in onbezet België lag tijdens de oorlogsjaren vijf tot zeven maal hoger. In Poperinge was dit slechts een verdubbeling tot een verviervoudiging van de capaciteit. Dit grote verschil kan te wijten zijn aan de voorkeur van de Britse soldaten voor ingevoerde Engelse bieren. Dit bier was toen zwaarder dan het Belgische bier, en trouwens ook platter, m.a.w. er stond geen schuimlaag op het bier. Herbergiers verkochten Engels bier of mengden dit ingevoerde bier met het inlandse bier om hieraan tegemoet te komen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog mocht het bier slechts een densiteit hebben tussen 2,5° en 3°. Dit is vergelijkbaar met het tafelbier van nu. Toch werd er ook gesproken van bieren die een hogere densiteit hebben, nl. tot 8°. Naast bier werden nog andere alcoholische dranken gedronken, zoals whisky en wijn. Vooral Britten en Canadezen waren dol op deze sterkere dranken.

Opmerkelijk is dat in Poperinge een apart regime gold. Hier mocht geen wijn gedronken of geschonken worden. Heel veel cafés werden gesloten omdat ze dit verbod niet volgden.

Affiche over bier
Reclameaffiche voor streekbier gemaakt met enkel Poperingse hop © Collectie Hopmuseum

6. Meer informatie

www.hopmuseum.be