Boter bij de vis


Het herstel van de veestapel

Niet alleen voor de Belgische boeren was de Eerste Wereldoorlog een drama, ook boerderijdieren leden zwaar onder de oorlog. De talrijke opeisingen, het gebrek aan veevoeder en de vele noodslachtingen brachten de veestapel een zware slag toe. De schade was heel groot. De hoeveelheden vee voorzien in het vredesverdrag van Versailles en de buitenlandse vee-aankoop zorgden voor een eerste herstel van de Belgische veestapel. Een structurele verbetering van de veestapel was evenwel nodig om de ondermaatse kwaliteit van bepaalde rundveerassen aan te pakken. De Leuvense professor Leopold Frateur tekende hiervoor de lijnen uit. Rond het midden van de jaren 1920 haalde de Belgische veestapel terug een aanvaardbaar peil.

Door Brecht Demasure

1. Zware verliezen

Het oorlogsgeweld, de talrijke opeisingen, het gebrek aan veevoeder en de vele noodslachtingen waren dramatisch voor de veestapel. Het aantal boerderijdieren was in 1919 spectaculair gedaald ten opzichte van 1913. Recent onderzoek wees uit dat het totaal aantal paarden, varkens en runderen daalde met meer dan 50%. De rundveestapel kende een daling van ongeveer 35% (van 1.949.546 naar 1.333.767) terwijl het paardenbestand met 40% afnam (van 278.088 naar 168.496). Vooral de varkensstapel was ernstig getroffen: in 1919 waren maar liefst 75% minder varkens in België dan voor de oorlog (van 1.534.658 naar 365.784). Ook bij het kleinvee waren er talrijke verliezen.

De zwaarste verliezen werden geleden in Oost- en West-Vlaanderen en Henegouwen. Niet toevallig maakten deze provincies deel uit van het Etappengebied, de rust- en bevoorradingszone van het Duitse leger. Naast de massale opeisingen was de voornaamste reden voor de spectaculaire terugval in het Etappengebied het feit dat de Duitsers veel vee meenamen bij de terugtrekking. De dieren werden voor het leger uitgedreven en geraakten zo over het land verspreid.

Varken in 1919.
De varkensstapel werd enorm getroffen na de Eerste Wereldoorlog.
In 1919 liep er sporadisch nog een varken rond.
© Collectie Brusselle-Traen in Stadsarchief Brugge

2. Buitenlands vee voor België

Onmiddellijk na de oorlog namen de boeren initiatieven om de veestapel aan te vullen. De naoorlogse heropbouw had dringend nood aan trekkracht. Bovendien was er een grote behoefte aan vlees en zuivelproducten. Vooral in de Westhoek was de aanvoer van vee levensnoodzakelijk om de talrijke verwoeste gronden te bewerken. De regering vaardigde een slachtverbod uit voor vrouwelijk jongvee en dragende runderen.

Om de leemte op te vullen werd overgegaan tot de aankoop van buitenlands vee. De Belgische overheid startte onderhandelingen met Nederland om vee voor de verwoeste streken aan te kopen. Net na de oorlog stelde de Britse regering 50.000 paarden en muilezels ter beschikking van de Belgische landbouw. Daar bovenop verkocht het War Office zo’n 30.000 legerpaarden van de Britse troepen aan België. De Canadese overheid liet 24.000 paarden en 5000 runderen aan België over. De dieren werden meteen gebruikt voor de heropbouw van het land. Ze waren niet geschikt om mee te kweken.

De invoer van buitenlandse rundveerassen werd trouwens in niet geringe mate gehinderd door ziekten. Zowel in de verzamelplaatsen van het buitenlandse vee als in de stallen van de boerderijen was de kans op de uitbraak van besmettelijke ziekten groot. Geregeld brak er mond-en-klauwzeer of rundveepest uit. Een tijdgenoot en oud-veearts noemde het gevaar op ziektes zelfs ‘de tweede oorlog’.

Klachtenbrief van De Coene, januari 1919.
Brief van meubelfabriek De Coene Frères (Kortrijk) van 22 januari 1919 met klachten over twee oorlogspaarden. De paarden waren blind, lui en agressief.
© Stadsarchief Kortrijk

3. Gematigdheid in Versailles

De vertegenwoordigers van de Belgische landbouw ijverden tijdens de vredesonderhandelingen in Versailles vanaf februari 1919 vooral voor de teruggave van fokmerries en dekhengsten. Deze waren belangrijk voor de teelt van het hoogwaardige Belgische paardenras. De gematigde opvatting van de landbouwdelegatie uitte zich in het aantal dieren dat aan Duitsland werd teruggevraagd. Dit betrof nog geen 10% van het aantal dieren dat tijdens de oorlog verloren ging. Concreet vroeg België in Versailles 10.200 paarden, 92.000 runderen, 15.000 varkens en 20.200 schapen terug. Door het uitbreken van varkenspest in Duitsland in 1919, werden de vooropgestelde 15.000 varkens geschrapt. Ze werden vervangen door kippen, geiten en schapen. De herstelbetaling via de teruggave van vee verliep niet zo vlot. In augustus 1920 had België slechts 4.050 paarden en 67.500 runderen teruggekregen. De kwaliteit van de geleverde dieren was bovendien niet bijster hoog.

Spotprent i.v.m. levering van Duitse varkens.
Spotprent uit 1919 na het Verdrag van Versailles over de teruggave van varkens (die uiteindelijk niet plaatsvond).
© CAG

4. Veredeling redt de veestapel

Volgens Professor Leopold Frateur, hoofd van het Instituut voor Zoötechnie te Leuven, mocht het herstel van de veestapel veeverbetering niet in de weg staan. Hij formuleerde reeds voor de oorlog zijn visie hierover in verschillende wetenschappelijke artikels. Frateur pleitte voor een rationele selectie van vee. In plaats van uit te gaan van de uiterlijke kwaliteiten van een dier, beklemtoonde hij aspecten zoals stamboom, vruchtbaarheid, weerbaarheid, melkgift en kwaliteit van het vlees. Frateur legde met andere woorden de nadruk op de productieve kenmerken van het dier. Onder zijn impuls stuurde het ministerie van Landbouw veeartsen naar Groot-Brittannië om de runder- en varkensrassen eerst te onderzoeken vooraleer de dieren daadwerkelijk te importeren. Met behulp van de buitenlandse dieren wilde Frateur zuivere stammen of variëteiten fokken uit de binnenlandse rassen. Andere prioriteiten waren de optimalisatie van het veevoeder en de verbetering van de stalhygiëne.

5. De overheid neemt initiatief

In augustus 1919 vond de Belgische minister van Landbouw, Albéric Ruzette, dat het herstel en de verbetering van de rundveerassen niet snel genoeg vorderde. Voor het overgrote deel van de Belgische boeren was veeveredeling praktisch moeilijk omdat ze niet over voldoende vee beschikten en te kleinschalig waren om zelf een mannelijk kweekdier te houden. Het verenigen in syndicaten bood een mogelijke oplossing. Het Koninklijk Besluit van 16 augustus 1919 formuleerde een antwoord op deze problematiek. Het KB was duidelijk geïnspireerd op de plannen van Frateur: verbetering van rundveerassen én uitbreiding van de kweekverenigingen naar alle diersoorten.

De richtlijnen voor de verschillende organisaties waren hetzelfde en door de overheid opgelegd. De werking op lokaal niveau was aanvankelijk beperkt tot één vereniging per diersoort per streek. Voor elk dier werd – waar nodig – een kweekplan opgesteld. Elke instantie (ministerie, Boerenbond, Universiteit van Leuven, lokale bonden) werd bij de veeveredeling betrokken. De nieuw opgerichte veebonden informeerden de boer over de verbetering van veevoeding en gaven inlichtingen over het nut van een doordachte stalinrichting. Ze organiseerden cursussen en hielden lezingen. In het nieuwe beleid was er ook plaats voor provinciale prijskampen en tentoonstellingen, zoals die bestonden voor de oorlog.

Prijsstier na WOI.
De overheid organiseerde na de oorlog diverse prijskampen voor het veeherstel te bevorderen.
© Collectie Brusselle-Traen in Stadsarchief Brugge

6. Het resultaat: het begin van een kwalitatieve veestapel

Omstreeks het midden van het jaren 1920 was het grootste gedeelte van de Belgische veestapel hersteld. Het paardenbestand bereikte als eerste haar vooroorlogse peil. De bijzondere aandacht die de Belgische overheid – onder invloed van de publieke opinie – schonk aan het herstel van de paardenteelt rendeerde duidelijk. Rond 1926-1927 waren er terug evenveel runderen als in 1913. Onder impuls van het plan Frateur bereikte de rundveestapel een kwalitatief hoger niveau. Varkens waren ongetwijfeld het grootste slachtoffer van de Duitse bezetting. Het duurde dan ook het langst om het aantal varkens terug op peil te krijgen. De varkenspest was de belangrijkste oorzaak voor het terugvallen van de groeicijfers in 1922-1923. Pas in 1931 bereikte het varkensbestand hetzelfde aantal als in 1913. Veralgemenend kunnen we stellen dat de impact van de Eerste Wereldoorlog op de veestapel zeer groot was.

Grafiek paarden- en rundveeherstel na WOI.
Grafiek met de aangroei van het aantal paarden en runderen na 1918.
 © CAG

7. Bibliografie

Brullot D., Het oog van de meester maakt het vee vet?: rundveeverbetering in België (1880-1919), Ongepubliceerde masterproef, KU Leuven, departement Geschiedenis, 2010.

Demasure B., Boter bij de vis. Landbouw en voeding tijdens de Eerste Wereldoorlog, Leuven, 2014.

Gobin A., Professor J.-Leopold Frateur en de omwenteling in de veehouderij (Gedenkschrift professor J.-Leopold Frateur, 1), Utrecht, 1999.

Martens L., De veestapel onder schot. De invloed van de Eerste Wereldoorlog op de Belgische veeteelt, Ongepubliceerde masterproef, KU Leuven, departement Geschiedenis, 2011.

Vandeweyer L., ‘De Eerste Wereldoorlog, een ramp voor de Belgische huisdieren’, in: Leidschrift. Historisch tijdschrift van de universiteit van Leiden, 20 (2005), p. 101-119.